Inhoud.
Is
onderverdeeld:
1 Inleiding.
2 Uitgangspunt.
3 Samenvatting.
4 Onderbouwing.
5 Bijlagen.
1 Inleiding.
Niet van
toepassing.
2 Uitgangspunt.
Fermion heeft
spin +1/2, +3/2, +5/2, … [1].
Onder PD wordt
verstaan: Gsr ~ md=3D ~ kß [16].
3 Samenvatting.
3.1 Algemeen.
Conclusie 3, 4 en
19 vereisen de volgende toelichting.
Plastisch
uitgedrukt:
Er is een
fietswiel dat met omtreksnelheid v(-) linksom draait.
Er is een
fietswiel dat met omtreksnelheid v(+) rechtssom draait.
Beide wielen
zijn volledig in elkaar geschoven.
De omtreksnelheid
van het geheel is 0(+én-).
Ø Zie conclusie 18.
Beide wielen
worden met ϗk afstand uit elkaar geschoven.
De
omtreksnelheid van het ene wiel is +ϗk.
Ø Zie conclusie 3.
De
omtreksnelheid van het andere wiel is -ϗk.
Ø Zie conclusie 4.
De
omtreksnelheid neemt toe tot v(+óf-) naarmate de wielen verder uit elkaar
geschoven worden.
Conclusie 14
vereist de volgende toelichting.
Als waar is: PD
heeft uitsluitend halftallige spin.
Ø Is spin = 1/2(+óf-).
Is ook waar: Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend spin = ϗk(+óf-).
Is ook waar: Spin
= ϗk(+óf-) is wel degelijk spin en veroorzaakt enige lading.
Conclusie: PD heeft
uitsluitend heeltallige spin.
Ø Is spin = 1(+óf-).
3.2 Conclusies.
Voor zichtbare
materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin [1].
Ø Is spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
Voor onzichtbare
(donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten min halftallige spin
[2].
Ø Is spin -1/2, -3/2, -5/2, ….
Voor zichtbare
materie geldt: Boson heeft meerdere soorten plus heeltallige spin [3].
Ø Is spin +ϗk, +1, +2, ….
Voor onzichtbare
(donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere soorten min heeltallige spin [4].
Ø Is spin -ϗk, -1, -2, ….
Er is niet
neutrale spinpolariteit(+óf-) [5].
SD heeft in elk
domein één niet neutrale spinpolariteit [6].
PD heeft in elk
domein meerdere niet neutrale spinpolariteiten [7].
PD heeft in elk
domein zowel negatieve als positieve spin [8].
SD heeft per
spinpolariteit meerdere soorten spin [9].
PD heeft per
spinpolariteit één soort spin [10].
SD heeft zowel
half- als heeltallige spin [11].
PD heeft
uitsluitend heeltallige spin [14].
PD heeft zowel
spin = 0(+én-) als 1(+óf-) [15].
Gsr ~ md=3D ~
kßx ~ H(+óf-) heeft uitsluitend spin = 1(+óf-) [16].
Gsr ~ md=3D ~
kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [19].
Gsr ~ md=3D ~
kßx ~ H heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-) [20].
Gsr ~ md=3D ~
kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [23].
4 Onderbouwing.
1 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Fermion
heeft spin +1/2, +3/2, +5/2, … [Wikipedia].
2
Is
ook waar:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin.
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
3
Conclusie:
o Voor zichtbare materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin.
2 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft
meerdere soorten plus halftallige
spin [1].
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
2
Is
ook waar:
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere
soorten min halftallige spin.
Ø
Is
spin -1/2, -3/2, -5/2, ….
3
Conclusie:
o Voor onzichtbare (donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten min halftallige spin.
3 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft
meerdere soorten plus halftallige
spin [1].
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
2
Is
ook waar:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Boson heeft
meerdere soorten plus heeltallige
spin.
Ø
Is
spin +ϗk, +1, +2, ….
3
Conclusie:
o Voor zichtbare materie geldt: Boson heeft meerdere soorten plus heeltallige spin.
4 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Boson heeft
meerdere soorten plus heeltallige
spin [3].
Ø
Is
spin +ϗk, +1, +2, ….
2
Is
ook waar:
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere
soorten min heeltallige spin.
Ø
Is
spin -ϗk, -1, -2, ….
3
Conclusie:
o Voor onzichtbare (donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere soorten min heeltallige spin.
5 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin
[1].
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
o
Voor
zichtbare materie geldt: Boson heeft meerdere soorten plus heeltallige spin
[3].
Ø
Is
spin +ϗk, +1, +2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten min
halftallige spin [2].
Ø
Is
spin -1/2, -3/2, -5/2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere soorten min
heeltallige spin [4].
Ø
Is
spin -ϗk, -1, -2, ….
2
Is
ook waar:
o
Er
is niet neutrale spinpolariteit(+óf-).
3
Conclusie:
o Er is niet neutrale spinpolariteit(+óf-).
6 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin
[1].
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
o
Voor
zichtbare materie geldt: Boson heeft meerdere soorten plus heeltallige spin
[3].
Ø
Is
spin +ϗk, +1, +2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten min
halftallige spin [2].
Ø
Is
spin -1/2, -3/2, -5/2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere soorten min
heeltallige spin [4].
Ø
Is
spin -ϗk, -1, -2, ….
2
Is
ook waar:
o
SD heeft
in elk domein één niet neutrale spinpolariteit.
3
Conclusie:
o SD heeft in elk domein één niet neutrale spinpolariteit.
7 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
SD heeft in elk domein één
niet neutrale spinpolariteit [6].
2
Is
ook waar:
o
PD heeft in elk domein meerdere
niet neutrale spinpolariteiten.
3
Conclusie:
o PD heeft in elk domein meerdere niet neutrale spinpolariteiten.
8 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
PD heeft
in elk domein meerdere niet neutrale spinpolariteiten [7].
o
Er
is niet neutrale spinpolariteit(+óf-) [5].
2
Is
ook waar:
o
PD heeft
in elk domein zowel negatieve als positieve spin.
3
Conclusie:
o PD heeft in elk domein zowel negatieve als positieve spin.
9 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin
[1].
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
o
Voor
zichtbare materie geldt: Boson heeft meerdere soorten plus heeltallige spin
[3].
Ø
Is
spin +ϗk, +1, +2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten min
halftallige spin [2].
Ø
Is
spin -1/2, -3/2, -5/2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere soorten min
heeltallige spin [4].
Ø
Is
spin -ϗk, -1, -2, ….
2
Is
ook waar:
o
SD heeft
per spinpolariteit meerdere soorten spin.
3
Conclusie:
o SD heeft per spinpolariteit meerdere soorten spin.
10 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
SD heeft per spinpolariteit meerdere soorten spin [9].
2
Is
ook waar:
o
PD heeft per spinpolariteit één soort spin.
3
Conclusie:
o PD heeft per spinpolariteit één soort spin.
11 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
zichtbare materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten plus halftallige spin
[1].
Ø
Is
spin +1/2, +3/2, +5/2, ….
o
Voor
zichtbare materie geldt: Boson heeft meerdere soorten plus heeltallige spin
[3].
Ø
Is
spin +ϗk, +1, +2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Fermion heeft meerdere soorten min
halftallige spin [2].
Ø
Is
spin -1/2, -3/2, -5/2, ….
o
Voor
onzichtbare (donkere) materie geldt: Boson heeft meerdere soorten min
heeltallige spin [4].
Ø
Is
spin -ϗk, -1, -2, ….
2
Is
ook waar:
o
SD heeft
zowel half- als heeltallige spin.
3
Conclusie:
o SD heeft zowel half- als heeltallige spin.
12 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
SD heeft
zowel half- als heeltallige spin [11].
2
Is
ook waar:
o
PD heeft
uitsluitend halftallige spin.
Of.
o
PD heeft
uitsluitend heeltallige spin.
3
Conclusie:
o Er is keuze.
Stel:
PD heeft uitsluitend halftallige spin.
13 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
PD heeft
uitsluitend halftallige spin.
o
Zie
samenvatting - algemeen.
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3
Conclusie:
o Stelling: ‘PD heeft uitsluitend halftallige spin’, is onwaar.
14 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘PD heeft uitsluitend halftallige
spin’, is onwaar [13].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘PD heeft uitsluitend heeltallige
spin’, is waar.
3
Conclusie:
o PD heeft uitsluitend heeltallige spin.
15 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
PD heeft
uitsluitend heeltallige spin [14].
o
PD heeft
in elk domein zowel negatieve als positieve spin [8].
o
PD heeft
per spinpolariteit één soort spin [10].
2
Is
ook waar:
o
PD
heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-).
3
Conclusie:
o PD heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-).
16 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
PD
heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-) [15].
o
Onder
PD wordt verstaan: Gsr ~ md=3D ~ kß.
2
Is
ook waar:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
3
Conclusie:
o Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
17 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) heeft uitsluitend spin = 1(+óf-) [16].
2
Is
ook waar:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
Of.
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft zowel spin = 0(+én-) als spin = 1(+óf-).
3
Conclusie:
o Er is keuze.
Stel: Gsr ~ md=3D ~ kßx ~
H(+én-) heeft zowel spin = 0(+én-) als spin = 1(+óf-).
18 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft zowel spin = 0(+én-) als spin = 1(+óf-).
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend wél neutrale lading [Afkortingen en
symbolen].
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3
Conclusie:
o Stelling: ‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft zowel spin = 0(+én-) als spin = 1(+óf-)’, is onwaar.
19 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft zowel
spin = 0(+én-) als spin = 1(+óf-)’, is onwaar
[18].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend
spin = 0(+én-)’, is waar.
3
Conclusie:
o Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
20 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+én-) heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [19].
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) heeft uitsluitend spin = 1(+óf-) [16].
2
Is
ook waar:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-).
3
Conclusie:
o Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-).
21 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ H heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-) [20].
2
Is
ook waar:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
Of.
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
3
Conclusie:
o Er is keuze.
Stel: Gsr ~ md=3D ~ kßx ~
M heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
22 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
o
Gsr
~ md=3D ~ kßx ~ M is (gezien van buitenaf) uitsluitend in rust [Beweging vs.
Rust].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 1(+óf-)’, is onwaar.
3
Conclusie:
o Stelling: ‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 1(+óf-)’, is onwaar.
23 Zie
conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin
= 1(+óf-)’, is onwaar [22].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin
= 0(+én-)’, is waar.
3
Conclusie:
o Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
5 Bijlagen.
o Afkortingen en symbolen.