Inhoud.
Is
onderverdeeld:
1 Inleiding.
2 Uitgangspunt.
3 Samenvatting.
4 Onderbouwing.
5 Bijlagen.
1 Inleiding.
Niet van
toepassing.
2 Uitgangspunt.
Elektron draait
om atoomkern [1].
Elektron heeft
spin = 0,5(+) [1].
Baryon heeft
spin = 0,5(+) [1].
PD kan niét
zowel halftallige als heeltallige spin hebben [2].
Er is SD met
heeltallige spin = 0(+én-), 1(+), 2(+), 3(+) … [3].
Elektron heeft
lading 1(-) [7].
Gluon heeft
lading 0(+én-) [7].
Gluon heeft
spin = 1(+) [7].
Voor cartesisch
coördinatenstelsel geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [14].
3 Samenvatting.
3.1 Algemeen.
Niet van
toepassing.
3.2 Conclusies.
Voor AD geldt:
Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is halftallig [1].
Voor SD geldt:
Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is heeltallig [2].
Voor SD geldt:
Heeft naast heeltallige spin = 0(+én-) meerdere soorten heeltallige spin >
0(+én-) [3].
Voor PD geldt: Heeft
naast heeltallige spin = 0(+én-) één soort heeltallige spin > 0(+én-) [4].
Voor SD geldt:
Heeft zowel halftallige als heeltallige spin [5].
Voor PD geldt:
Heeft uitsluitend heeltallige spin [6].
Voor SD geldt: Spinpolariteit
is niét gekoppeld aan ladingpolariteit [7].
Voor PD geldt: Spinpolariteit
is wél gekoppeld aan ladingpolariteit [8].
Voor SD geldt:
Heeft spin is uitsluitend positief [9].
Voor PD met ladingpolariteit(+óf-) geldt: Heeft
spin is zowel negatief als positief [10].
Voor PD(+óf-)
geldt: Heeft uitsluitend spin = 1(+óf-) [11].
Voor PD(+én-)
geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [12].
Voor kß gevulde ruimte ~ md geldt: Heeft
zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-) [13].
Voor kß gevulde ruimte ~ zd geldt:
Heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [14].
4 Onderbouwing.
1 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
draait om atoomkern.
o
Elektron
heeft spin = 0,5(+).
o
Baryon
heeft spin = 0,5(+).
2
Is
ook waar:
o
Voor
AD geldt: Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is halftallig.
3 Conclusie:
o
Voor
AD geldt: Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is halftallig.
2 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
AD geldt: Zowel inwendige als
uitwendige heeft spin is halftallig [1].
o
PD
kan niét zowel halftallige als heeltallige spin hebben.
2
Is
ook waar:
o
Voor
SD geldt: Zowel inwendige als
uitwendige heeft spin is heeltallig.
3 Conclusie:
o
Voor
SD geldt: Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is heeltallig.
3 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
SD geldt: Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is heeltallig [2].
o
Er
is SD met heeltallige spin = 0(+én-), 1(+), 2(+), 3(+) ….
2
Is
ook waar:
o
Voor
SD geldt: Heeft naast heeltallige spin = 0(+én-) meerdere soorten heeltallige
spin > 0(+én-).
3 Conclusie:
o
Voor
SD geldt: Heeft naast heeltallige spin = 0(+én-) meerdere soorten heeltallige
spin > 0(+én-).
4 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
SD geldt: Heeft naast heeltallige
spin = 0(+én-) meerdere soorten
heeltallige spin > 0(+én-) [3].
2
Is
ook waar:
o
Voor
PD geldt: Heeft naast heeltallige
spin = 0(+én-) één soort heeltallige
spin > 0(+én-).
3 Conclusie:
o
Voor
PD geldt: Heeft naast heeltallige spin = 0(+én-) één soort heeltallige spin
> 0(+én-).
5 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [SD - Soorten].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [SD - Soorten].
o
Er
is BSD ~ E ~ WKVR ~ L=H ~ S=H; W/Z-boson [SD - Soorten].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=H; ontbrekend groep [SD - Soorten].
o
Er
is BSD ~ S ~ NKVR ~ L=H ~ S=H; meson [SD - Soorten].
o
Er
is BSD ~ S ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; baryon [SD - Soorten].
o
Er
is SSD ~ E ~ WKVR ~ L=H ~ S=H; foton, gluon [SD - Soorten].
2
Is
ook waar:
o
Voor
SD geldt: Heeft zowel halftallige als heeltallige spin.
3 Conclusie:
o
Voor
SD geldt: Heeft zowel halftallige als heeltallige spin.
6 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
SD geldt: Heeft zowel halftallige als heeltallige spin [5].
o
Voor
SD geldt: Zowel inwendige als uitwendige heeft spin is heeltallig [2].
2
Is
ook waar:
o
Voor
PD geldt: Heeft uitsluitend heeltallige spin.
3 Conclusie:
o
Voor
PD geldt: Heeft uitsluitend heeltallige spin.
7 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
heeft lading 1(-).
o
Elektron
heeft spin = 0,5(+) [1 (Als waar is:)].
o
Gluon
heeft lading 0(+én-).
o
Gluon
heeft spin = 1(+).
2
Is
ook waar:
o
Voor
SD geldt: Spinpolariteit is niét gekoppeld aan ladingpolariteit.
3 Conclusie:
o
Voor
SD geldt: Spinpolariteit is niét gekoppeld aan ladingpolariteit.
8 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
SD geldt: Spinpolariteit is niét gekoppeld aan ladingpolariteit [7].
2
Is
ook waar:
o
Voor
PD geldt: Spinpolariteit is wél gekoppeld aan ladingpolariteit.
3 Conclusie:
o
Voor
PD geldt: Spinpolariteit is wél gekoppeld aan ladingpolariteit.
9 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [5 (Als waar is:)].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
o
Er
is BSD ~ E ~ WKVR ~ L=H ~ S=H; W/Z-boson [5 (Als waar is:)].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=H; ontbrekend groep [5 (Als waar is:)].
o
Er
is BSD ~ S ~ NKVR ~ L=H ~ S=H; meson [5 (Als waar is:)].
o
Er
is BSD ~ S ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; baryon [5 (Als waar is:)].
o
Er
is SSD ~ E ~ WKVR ~ L=H ~ S=H; foton, gluon [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
SD geldt: Heeft spin is uitsluitend positief.
3 Conclusie:
o
Voor
SD geldt: Heeft spin is uitsluitend positief.
10 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
SD geldt: Heeft spin is uitsluitend positief [9].
o
Voor
PD geldt: Spinpolariteit is wél gekoppeld aan ladingpolariteit [8].
2
Is
ook waar:
o
Voor
PD met
ladingpolariteit(+óf-) geldt: Heeft spin is zowel negatief als positief.
3 Conclusie:
o
Voor
PD met
ladingpolariteit(+óf-) geldt: Heeft spin is zowel negatief als positief.
11 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
PD met
ladingpolariteit(+óf-) geldt: Heeft spin is zowel negatief als positief [10].
o
Voor
PD geldt: Heeft uitsluitend heeltallige spin [6].
o
Voor
PD geldt: Heeft naast heeltallige spin = 0(+én-) één soort heeltallige spin
> 0(+én-) [4].
2
Is
ook waar:
o
Voor
PD(+óf-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
3 Conclusie:
o
Voor
PD(+óf-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 1(+óf-).
12 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
PD(+óf-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 1(+óf-) [11].
o
Voor
PD geldt: Heeft naast heeltallige spin = 0(+én-) één soort heeltallige spin
> 0(+én-) [4].
2
Is
ook waar:
o
Voor
PD(+én-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
3 Conclusie:
o
Voor
PD(+én-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
13 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
PD(+én-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-) [12].
o
Voor
PD(+óf-) geldt: Heeft uitsluitend spin = 1(+óf-) [11].
2
Is
ook waar:
o
Voor kß gevulde ruimte ~ md geldt: Heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-).
3 Conclusie:
o
Voor kß gevulde ruimte ~ md geldt: Heeft zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-).
14 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor kß gevulde ruimte ~ md geldt: Heeft
zowel spin = 0(+én-) als 1(+óf-) [13].
o
Voor
cartesisch coördinatenstelsel geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
2
Is
ook waar:
o
Voor kß gevulde ruimte ~ zd geldt: Heeft
uitsluitend spin = 0(+én-).
3 Conclusie:
o
Voor kß gevulde ruimte ~ zd geldt: Heeft uitsluitend spin = 0(+én-).
5 Bijlagen.
o Afkortingen en symbolen.