Inhoud.

                                                                 

Is onderverdeeld:

1      Inleiding.

2      Uitgangspunt.

3      Samenvatting.

4      Onderbouwing.

5      Bijlagen.

 

1  Inleiding.

 

De module geeft de basis van het ontstaan der dingen weer, zowel in abstracte als in concrete zin.

 

2  Uitgangspunt.

    

Uit lading(+óf-) ontstaat een elektrisch veld [1].

Elektrisch veld is abstract [2].

Elektrisch veld beschrijft elektrische krachten [3].

Elektrisch kracht is concreet [3].

Uit een conclusie kan een andere conclusie ontstaan [8].

 

3  Samenvatting.

 

3.1    Algemeen.

 

Niet van toepassing.

 

3.2    Conclusies.

 

Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) ontstaat een elektrisch veld [1].

 

Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het abstracte [2].

 

Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het concrete [3].

 

Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [4].

 

Voor DG-H geldt: Er is niét een ander concrete dan gsr ~ md=3D ~ kßx [5].

 

Voor DG-H geldt: Uit het concrete ontstaat zowel het abstracte als concrete [6].

Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het abstracte [9].

 

Voor DG-M geldt: Uit het abstracte ontstaat zowel het abstracte als concrete [10].

Voor DG-M geldt: Uit het concrete ontstaat uitsluitend het abstracte [11].

 

Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte [14].

Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [17].

 

Voor DG geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [18].

Voor DL geldt: Uit abstract ß lsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [19].

 

Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het abstracte [22].

 

Uit lsr ~ md=3D ontstaat zowel het abstracte als concrete [23].

 

Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M ontstaat uitsluitend het abstracte [24].

Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H ontstaat zowel het abstracte als concrete [25].

 

Uit gsr ~ md≠3D ontstaat uitsluitend het abstracte [26].

 

Uit gsr ~ md ontstaat zowel het abstracte als concrete [27].

Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het abstracte [30].

 

4  Onderbouwing.

 

1   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H heeft zowel lading(+én-) als (+óf-) [Lading(+én) vs. (+óf-)].

o    Uit lading(+óf-) ontstaat een elektrisch veld.

2      Is ook waar:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) ontstaat een elektrisch veld.

3      Conclusie:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) ontstaat een elektrisch veld.

2   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) ontstaat een elektrisch veld [1].

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H is (gezien van buitenaf) concreet [Abstract vs. Concreet].

o    Elektrisch veld is abstract.

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het abstracte.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het abstracte.

3   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H(+óf-) ontstaat een elektrisch veld [1].

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H is (gezien van buitenaf) concreet [2 ( Als waar is:)].

o    Elektrisch veld beschrijft elektrische krachten.

o    Elektrisch kracht is concreet.

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het concrete.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het concrete.

4   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het concrete [3].

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat het abstracte [2].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

5   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H is (gezien van buitenaf) concreet [2 ( Als waar is:)].

o    Gsr ~ md=3D ~ gßx ~ H is (gezien van buitenaf) abstract [Abstract vs. Concreet].

o    Gsr ~ md≠3D is (gezien van buitenaf) uitsluitend abstract [Abstract vs. Concreet].

o    Voor DG-H geldt: Er is niét een ander gsr ~ md dan gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H, gsr ~ md=3D ~ gßx ~ H en gsr ~ md≠3D [Soorten ruimte].

o    Gsr ~ zd is (gezien van buitenaf) uitsluitend abstract [Abstract vs. Concreet].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Er is niét een ander concrete dan gsr ~ md=3D ~ kßx.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Er is niét een ander concrete dan gsr ~ md=3D ~ kßx.

6   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Er is niét een ander concrete dan gsr ~ md=3D ~ kßx [5].

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [4].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Uit het concrete ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Uit het concrete ontstaat zowel het abstracte als concrete.

7   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit het concrete ontstaat zowel het abstracte als concrete [6].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het abstracte.

Of.

o    Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het concrete.

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het concrete.

 

8   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het concrete.

o    Uit een conclusie kan een andere conclusie ontstaan.

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar.

9   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar [8].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het abstracte’, is waar.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het abstracte.

10 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit het concrete ontstaat zowel het abstracte als concrete [6].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-M geldt: Uit het abstracte ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Voor DG-M geldt: Uit het abstracte ontstaat zowel het abstracte als concrete.

11 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het abstracte [9].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-M geldt: Uit het concrete ontstaat uitsluitend het abstracte.

3      Conclusie:

o    Voor DG-M geldt: Uit het concrete ontstaat uitsluitend het abstracte.

12 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [4].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte.

Of.

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete.

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete.

 

13 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete.

o    Voor DG-H geldt: Uit het abstracte ontstaat uitsluitend het abstracte [9].

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar.

14 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar [13].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte’, is waar.

3      Conclusie:

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte.

15 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte [14].

2      Is ook waar:

o    Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete.

Of.

o    Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete.

 

16 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete.

o    Voor DG-M geldt: Uit het abstracte ontstaat zowel het abstracte als concrete [10].

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar.

17 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het concrete, is onwaar [16].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete, is waar.

3      Conclusie:

o    Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

18 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-M geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [17].

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte [14].

2      Is ook waar:

o    Voor DG geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Voor DG geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

19 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [18].

2      Is ook waar:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ß lsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ß lsr ontstaat zowel het abstracte als concrete.

20 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ß lsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [19].

2      Is ook waar:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het abstracte.

Of.

o    Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het concrete.

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: ‘Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het concrete’.

 

21 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het concrete.

o    Lsr ~ zd vereist zowel één als meerdere delen [Geheel is de som der delen].

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M is (gezien van buitenaf) abstract [Abstract vs. Concreet].

o    Lsr ~ md is (gezien van buitenaf) uitsluitend abstract [Abstract vs. Concreet].

o    Er is niét een ander soort gsr (omsloten door lsr) dan gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M [Domeinen].

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar.

22 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar [21].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het abstracte’, is waar.

3      Conclusie:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ϗ lsr ontstaat uitsluitend het abstracte.

23 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DL geldt: Uit abstract ß lsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [19].

o    Er is niét een ander ß lsr dan lsr ~ md=3D [Soorten ruimte].

o    Lsr ~ md is (gezien van buitenaf) uitsluitend abstract [Abstract vs. Concreet].

2      Is ook waar:

o    Uit lsr ~ md=3D ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Uit lsr ~ md=3D ontstaat zowel het abstracte als concrete.

24 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-M geldt: Uit het concrete ontstaat uitsluitend het abstracte [11].

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M is (gezien van binnenuit) concreet [Abstract vs. Concreet].

2      Is ook waar:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M ontstaat uitsluitend het abstracte.

3      Conclusie:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ M ontstaat uitsluitend het abstracte.

25 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit concreet ß gsr ontstaat zowel het abstracte als concrete [4].

o    Gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H is (gezien van buitenaf) concreet [2 ( Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H ontstaat zowel het abstracte als concrete.

26 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor DG-H geldt: Uit abstract ß gsr ontstaat uitsluitend het abstracte [14].

o    Gsr ~ md≠3D is (gezien van buitenaf) uitsluitend abstract [5 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Uit gsr ~ md≠3D ontstaat uitsluitend het abstracte.

3      Conclusie:

o    Uit gsr ~ md≠3D ontstaat uitsluitend het abstracte.

27 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Uit gsr ~ md≠3D ontstaat uitsluitend het abstracte [26].

o    Uit gsr ~ md=3D ~ kßx ~ H ontstaat zowel het abstracte als concrete [25].

2      Is ook waar:

o    Uit gsr ~ md ontstaat zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o    Uit gsr ~ md ontstaat zowel het abstracte als concrete.

28 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Uit gsr ~ md ontstaat zowel het abstracte als concrete [27]. .

2      Is ook waar:

o    Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het abstracte.

Of.

o    Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het concrete.

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het concrete.

 

29 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het concrete.

o    Gsr ~ md≠3D ~ kßx is uitsluitend een aaneenschakeling van gsr ~ zd=3D ~ ϗk [Getallenlijn-gsr vs. -lsr].

o    Gsr ~ md≠3D is (gezien van buitenaf) uitsluitend abstract [5 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar.

30 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het concrete’, is onwaar [29].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het abstracte’, is waar.

3      Conclusie:

o    Uit gsr ~ zd ontstaat uitsluitend het abstracte.

5  Bijlagen.

 

o    Afkortingen en symbolen.