Inhoud.

                                                                 

Is onderverdeeld:

1      Inleiding.

2      Uitgangspunt.

3      Samenvatting.

4      Onderbouwing.

5      Bijlagen.

 

1  Inleiding.

 

Niet van toepassing.

 

2  Uitgangspunt.

    

Heelal is (gbi) homogeen en isotroop [1].

Kß heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [9].

 

3  Samenvatting.

 

3.1    Algemeen.

 

Niet van toepassing.

 

3.2    Conclusies.

 

Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbi) niét een midden [1].

Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbu) wél een midden [2].

 

Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) niét een midden [3].

Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) wél een midden [4].

 

Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbu) wél een midden [5].

Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbi) niét een midden [6].

 

Gsr ~ md heeft (gbu) zowel wél als niét een midden [7].

Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [10].

 

Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [11].

Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) uitsluitend wél een midden [12].

 

Lsr ~ md=3D heeft (gbi) uitsluitend wél een midden [13].

 

Lsr ~ zd=3D heeft (gbi) uitsluitend niét een midden [14].

Lsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend wél een midden [15].

 

Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbi) uitsluitend niét een midden [16].

Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbu) uitsluitend wél een midden [17].

 

Gsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [18].

Gsr ~ zd=3D ~ ϗk heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [19].

 

4  Onderbouwing.

 

1   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Heelal is (gbi) homogeen en isotroop.

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbi) niét een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbi) niét een midden.

2   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbi) niét een midden [1].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbu) wél een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md=3D ~ gß heeft (gbu) wél een midden.

3   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md=3D ~ heeft (gbu) wél een midden [2].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md=3D ~ heeft (gbu) niét een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) niét een midden.

4   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) niét een midden [3].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) wél een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) wél een midden.

5   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) niét een midden [3].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbu) wél een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbu) wél een midden.

6   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbu) wél een midden [5].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbi) niét een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbi) niét een midden.

7   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md≠3D ~ kß heeft (gbu) wél een midden [5].

o    Gsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) niét een midden [3].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ md heeft (gbu) zowel wél als niét een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ md heeft (gbu) zowel wél als niét een midden.

8   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ md heeft (gbu) zowel wél als niét een midden [7].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

Of.

o    Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

 

9   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

o    Er is niét een ander lsr ~ md dan lsr ~ md=3D ~ kß [Soorten ruimte].

o    Kß heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    De stelling: ‘Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend wél een midden’, is onwaar.

10 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    De stelling: ‘Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend wél een midden’, is onwaar [9].

2      Is ook waar:

o    De stelling: ‘Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend niét een midden’, is waar.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

11 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ md heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [10].

o    Er is niét een ander lsr ~ md dan lsr ~ md=3D ~ kß [9 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

 

12 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [11].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) uitsluitend wél een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) uitsluitend wél een midden.

13 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ md=3D ~ kß heeft (gbi) uitsluitend wél een midden [12].

o    Er is niét een ander lsr ~ md=3D dan lsr ~ md=3D ~ kß [9 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ md=3D heeft (gbi) uitsluitend wél een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ md=3D heeft (gbi) uitsluitend wél een midden.

14 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ md=3D heeft (gbi) uitsluitend wél een midden [13].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbi) uitsluitend niét een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbi) uitsluitend niét een midden.

15 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbi) uitsluitend niét een midden [14].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

16 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbi) uitsluitend niét een midden [14].

o    Er is niét een ander lsr ~ zd=3D dan lsr ~ zd=3D ~ ϗg [Soorten ruimte].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbi) uitsluitend niét een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbi) uitsluitend niét een midden.

17 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbi) uitsluitend niét een midden [16].

2      Is ook waar:

o    Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

3      Conclusie:

o    Lsr ~ zd=3D ~ ϗg heeft (gbu) uitsluitend wél een midden.

18 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Lsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend wél een midden [15].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

19 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Gsr ~ zd=3D heeft (gbu) uitsluitend niét een midden [18].

o    Er is niét een ander gsr ~ zd=3D dan gsr ~ zd=3D ~ ϗk [Soorten ruimte].

2      Is ook waar:

o    Gsr ~ zd=3D ~ ϗk heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

3      Conclusie:

o    Gsr ~ zd=3D ~ ϗk heeft (gbu) uitsluitend niét een midden.

5  Bijlagen.

 

o    Afkortingen en symbolen.