Inhoud.

                                                                 

Is onderverdeeld:

1      Inleiding.

2      Uitgangspunt.

3      Samenvatting.

4      Onderbouwing.

5      Bijlagen.

 

1  Inleiding.

 

Niét van toepassing.

 

2  Uitgangspunt.

    

Elektron (lepton) heeft spin is halftallig(+) [1].

Muon heeft spin is halftallig(+) [3].

Quark heeft spin is halftallig(+) [5].

Foton heeft spin is heeltallig(+) [6].

K-meson heeft spin is 0(+én-), 1(+), 2(+), 3(+), 4(+) [18].

Proton heeft spin is 1/2(+) [20].

 

3  Samenvatting.

 

3.1    Algemeen.

 

Waarneming van subatomaire deeltjes m.b.t. spinpolariteit kan dan ook denkbeeldig plaatsvinden op twee manieren:

1.     Vanuit het domein van zichtbare (onzichtbare) materie met als horizon uitsluitend zichtbare (onzichtbare) materie.

Ø  Is een waarneming uitsluitend binnen eigen domein.

Resultaat: Subatomaire deeltjes hebben uitsluitend spinpolariteit(+).

Ø  Voor spin = 0(+én-) geldt: Is onbegrensd klein(+).

(Zie schema in module: Getallenlijn-gsr vs. -lsr).

 

2.     Vanuit het domein van zichtbare (onzichtbare) materie met als horizon uitsluitend onzichtbare (zichtbare) materie.

Ø  Is een waarneming uitsluitend buiten eigen domein.

Resultaat: Subatomaire deeltjes hebben uitsluitend spinpolariteit(-).

Ø  Voor spin = 0(+én-) geldt: Is onbegrensd klein(-).

(Zie schema in module: Getallenlijn-gsr vs. -lsr).

 

Beide waarnemingen hebben als paradoxaal resultaat:

o   Subatomaire deeltjes hebben in heelal spinpolariteit(+óf-).

Ø  Voor spin = 0(+én-) geldt: Is onbegrensd klein(+én-).

(Zie schema in module: Getallenlijn-gsr vs. -lsr).

 

Uit andere modulen blijkt dat er geen wisselwerking tussen de materiële domeinen mogelijk is.

Uit manier twee blijkt dat de wereld van het dode binnen beide domeinen gelijk is aan elkaar.

Onze wereld is onze werkelijkheid en daar doen we het mee.

 

3.2    Conclusies.

 

Voor wél elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [1].

Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [8].

 

Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [9].

 

Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H; lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [10].

Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G; quark heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [11].

 

Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [12].

Voor domein OM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [13].

 

Voor domein OM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(-) [14].

Voor domein ZM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(-) [15].

 

Voor wél fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [16].

Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [17].

 

Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin = ϗk(+) als 1(+), 2(+), … [18].

 

Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin is ϗ(+) als ß(+) [19].

Voor niét fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spin is ß(+) [20].

 

Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [21].

Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(-) [22].

 

Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(+), 1(+), 2(+), … [23].

Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(-), 1(-), 2(-), … [24].

 

Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(+), 3/2(+), … [25].

Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(-), 3/2(-), … [26].

 

4  Onderbouwing.

 

1   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Elektron (lepton) heeft spin is halftallig(+).

2      Is ook waar:

o    Voor wél elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor wél elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

2   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor wél elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [1].

2      Is ook waar:

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

Of.

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-).

Of.

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met zowel spinpolariteit(+) als (-).

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-).

 

3   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-).

o    Muon heeft spin is halftallig(+).

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-)’, is onwaar.

Stel: Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met zowel spinpolariteit(+) als (-).

 

4   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met zowel spinpolariteit(+) als (-).

2      Is ook waar:

o    Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-).

Of.

o    Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Er is keuze.

Stel: Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-).

 

5   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-).

o    Quark heeft spin is halftallig(+).

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-)’, is onwaar.

Stel: Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

 

6   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

o    Foton heeft spin is heeltallig(+).

2      Is ook waar:

o    Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+)’, is onwaar.

7   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+)’, is onwaar [6].

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (niét lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-)’, is onwaar [5].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met zowel spinpolariteit(+) als (-)’, is onwaar.

3      Conclusie:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met zowel spinpolariteit(+) als (-)’, is onwaar.

8   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met zowel spinpolariteit(+) als (-)’, is onwaar [7].

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(-)’, is onwaar [3].

2      Is ook waar:

o    Stelling: ‘Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+)’, is waar.

3      Conclusie:

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

9   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [8].

o    Voor wél elektron (wél lepton) geldt: Heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [1].

2      Is ook waar:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

10 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [9].

o    Er is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [SD - Soorten].

2      Is ook waar:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H; lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H; lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

11 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H; lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [10].

o    Er is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [SD - Soorten].

2      Is ook waar:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G; quark heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G; quark heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+).

12 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G; quark heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [11].

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H; lepton heeft S=G met uitsluitend spinpolariteit(+) [10].

2      Is ook waar:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

13 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [12].

2      Is ook waar:

o    Voor domein OM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor domein OM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

14 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein OM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [13].

2      Is ook waar:

o    Voor domein OM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(-).

3      Conclusie:

o    Voor domein OM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(-).

15 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [12].

2      Is ook waar:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(-).

3      Conclusie:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(-).

16 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [12].

o    Voor domein OM (gezien vanuit domein OM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [13].

2      Is ook waar:

o    Voor wél fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor wél fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

17 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor wél fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [16].

2      Is ook waar:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

18 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [17].

o    K-meson heeft spin is 0(+én-), 1(+), 2(+), 3(+), 4(+).

o    Getal 0(+én-) is uitsluitend geheel getal [Gebroken vs. Geheel getal].

o    Getal 0(+én-) is uitsluitend gekoppeld aan gsr ~ zd=3D ~ ϗk ~ (+én-) [Koppeling getal - getallenlijn].

o    Er is niét getal 0(+óf-) [Getallenlijn-gsr vs. -lsr].

2      Is ook waar:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin = ϗk(+) als 1(+), 2(+) ….

3      Conclusie:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin = ϗk(+) als 1(+), 2(+) ….

19 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin = ϗk(+) als 1(+), 2(+), … [18].

2      Is ook waar:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin is ϗ(+) als ß(+).

3      Conclusie:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin is ϗ(+) als ß(+).

20 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin is ϗ(+) als ß(+) [19].

o    Proton heeft spin is 1/2(+).

2      Is ook waar:

o    Voor niét fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spin is ß(+).

3      Conclusie:

o    Voor niét fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spin is ß(+).

21 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor niét fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spin is ß(+) [20].

o    Voor wél fermion met S=G (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [16].

o    Voor niét fermion met S=H (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft zowel spin is ϗ(+) als ß(+) [19].

2      Is ook waar:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

3      Conclusie:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+).

22 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [21].

2      Is ook waar:

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(-).

3      Conclusie:

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(-).

23 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [21].

o    K-meson heeft spin is 0(+én-), 1(+), 2(+), 3(+), 4(+) [18 (Als waar is:)].

o    Getal 0(+én-) is uitsluitend geheel getal [18 (Als waar is:)].

o    Getal 0(+én-) is uitsluitend gekoppeld aan gsr ~ zd=3D ~ ϗk ~ (+én-) [18 (Als waar is:)].

o    Er is niét getal 0(+óf-) [18 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(+), 1(+), 2(+) ….

3      Conclusie:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(+), 1(+), 2(+) ….

24 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(+), 1(+), 2(+), … [23].

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: Heeft uitsluitend spinpolariteit(-) [22].

2      Is ook waar:

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(-), 1(-), 2(-) ….

3      Conclusie:

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(-), 1(-), 2(-) ….

25 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=H heeft spin is ϗk(+), 1(+), 2(+), … [23].

o    Voor domein ZM (gezien vanuit domein ZM) geldt: Wél fermion met S=G heeft uitsluitend spinpolariteit(+) [12].

o    Proton heeft spin is 1/2(+) [20 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(+), 3/2(+) ….

3      Conclusie:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(+), 3/2(+) ….

26 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o    Voor SD (gezien vanuit eigen domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(+), 3/2(+), … [25].

2      Is ook waar:

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(-), 3/2(-) ….

3      Conclusie:

o    Voor SD (gezien vanuit ander domein) geldt: SD met S=G heeft spin is 1/2(-), 3/2(-) ….

5  Bijlagen.

 

o    Afkortingen en symbolen.