Inhoud.

                                                                 

Is onderverdeeld:

1      Inleiding.

2      Uitgangspunt.

3      Samenvatting.

4      Onderbouwing.

5      Bijlagen.

 

1  Inleiding.

 

Zie module:

o   Inleiding.

 

Deze module gaat in op:

o   Kwantumverstrengeling.

 

Onbegrensd snelle informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is één van de vele verschijnselen die geen rekening houden met de gewone natuurkunde.

Mijn ideeën staan ook ver af van de gewone natuurkunde; ze zijn tot stand gekomen op basis van een down-top benadering met gebruikmaking van een Natuurwet.

 

Mijn eerste uitgangspunten.

o   Er is uitsluitend onbegrensd lege ruimte dat niet met zichzelf is samengevoegd (het is enkelvoudig).

o   Er is vanuit lege ruimte een Natuurwet uitgevaardigd.

 

De Natuurwet luidt: Al het abstracte heeft een tegenpool met tegengestelde kenmerken (uitgezonderd het hiërarchisch hoogst abstracte).

 

Uiteindelijk ontstaat (plastisch uitgedrukt) het onderstaande wereldbeeld.

 

Het kleinst object (Planckdeeltje) in het heelal.

o   Is één Planckafstand groot (ongeveer 10E-35 meter).

o   Is bolvormig.

o   Maakt deel uit van het uitwendige (het draaiend deel) van een subatomair deeltje; is met spin en daardoor met lading; is het lichamelijke.

o   Maakt deel uit van het inwendige (centrum) van een subatomair deeltje; is zonder spin en daardoor zonder lading; is het geestelijke.

 

Het heelal.

o   Is gevulde ruimte (hol).

o   Dijt met de lichtsnelheid uit.

o   Is ingesloten door een cartesisch coördinatenstelsel.

 

Het heelal vormt het inwendige van een matroesjkaballon.

 

Een matroesjkaballon.

o   Is gevulde ruimte (massief).

o   Is onbegrensd met zichzelf samengevoegd.

o   Is een aaneenschakeling van een onbegrensd aantal deelballonnen.

o   Is ongeveer 10E+35 meter in diameter.

o   Is zonder spin en daardoor zonder lading; is het geestelijke.

 

De wanddikte van de matroesjkaballon is ongeveer 10E-35 meter.

 

De matroesjkaballon is omsloten door een kubusvormig leeg stuk ruimte.

 

Het kubusvormig leeg stuk ruimte.

o   Heeft een ribbe van ongeveer 10E+105 meter.

o   Is onbegrensd met zichzelf samengevoegd.

o   Is een verzameling van aaneengeschakeld kubusvormig leeg stukken ruimte met een ribbe van ongeveer 10E+35 meter.

o   Is zonder spin daardoor zonder lading; is het geestelijke.

 

Elk deelballon, als gedeelte van de matroesjkaballon, is goed voor.

o   Eén Planckdeeltje zonder spin en daardoor zonder lading; is het geestelijke.

Of.

o   Meerdere (twee) Planckdeeltjes met spin +1, -1 en daardoor met lading +, - ; is het lichamelijke.

 

Degene (het zullen er zeer velen zijn) die beginnen te steigeren geef ik het volgende advies: ‘Kruip in de huid van het kleinste (een Planckdeeltje) en je betreedt een onbegrensde wereld met een midden’.

Voor het grootste (het heelal) geldt het tegenovergestelde; het is begrensd en heeft niet een midden.

 

De uitkomsten van de module zijn gebaseerd op plausibele uitgangspunten.

 

De brugstellingen in item 4 zijn geformuleerd door AI.

 

2  Uitgangspunt.

 

Object heeft een coördinaat in heelal of gedeelte daarvan [1].

Kenmerk van object is niét gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan [2].

Ø  Kenmerk is bijvoorbeeld: Grootte, kleur, samenstelling, spin, en zo voort.

Snelheid van plaats van object is uitsluitend begrensd [3].

Informatieoverdracht tussen het levende vereist een concreet transportmedium [4].

Wij veranderen begrensd van grootte [10].

Bij kwantumverstrengeling is sprake van informatieoverdracht, niét via een transportmedium [13].

Transportmedium vereist uitsluitend het concrete [14].

Informatieoverdracht vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16].

Er is niét een ander soort informatieoverdracht tussen het dode als dat bij kwantumverstrengeling [29].

Er vindt soms informatieoverdracht plaats tussen ongelijksoortig leven [31].

O  Subatomaire deeltjes komen uitsluitend (op meerdere wijze) voor in het heelal [33].

Wij hebben iets geestelijks [35].

Wij kunnen (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) zonder het geestelijke niet communiceren met elkaar [37].

 

3  Samenvatting.

 

3.1    Algemeen.

 

Informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling.

o   Vindt plaats via de matroesjkaballon.

o   Vindt onbegrensd snel plaats; is tijdloos.

 

Buiten het kader van deze module valt het onderstaande.

 

In de natuur is wel degelijk sprake van onbegrensd snelle verandering van grootte van een object.

 

De verandering van grootte van een object bestaat kort door de bocht uit:

o   Het leeglopen van een deelballon, vanuit de matroesjkaballon; met als gevolg het ontstaan van Plankdeeltje(s) in het heelal.

o   Het vollopen van een deelballon, naartoe de matroesjkaballon; met als gevolg het verdwijnen van Plankdeeltje(s) in het heelal.

 

Het leeglopen markeert de geboorte van zowel het dode als levende; het geestelijke en lichamelijke.

Het vollopen markeert de dood van uitsluitend het levende; het geestelijke.

 

3.2    Conclusies.

 

Plaats van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan [1].

 

Plaats en kenmerk van object zijn elkaars tegenpolen met tegengestelde kenmerken [2].

 

Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].

 

Leven kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen [4].

 

Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].

 

Er is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete [8].

Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete [11].

 

Snelheid van kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd [12].

 

Er is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium [13].

 

Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].

Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete [17].

 

Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het heelal [18].

Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal [21].

 

Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende [22].

Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode [25].

 

Snelheid van informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd [26].

Snelheid van informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd [27].

 

Snelheid van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd [28].

 

Snelheid van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd [29].

Snelheid van informatieoverdracht tussen het levende is uitsluitend begrensd [30].

 

Informatieoverdracht tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie [31].

Informatieoverdracht tussen het dode vereist wél een gelijksoortige relatie [32].

 

Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].

Geestelijke komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor [36].

 

Communicatie tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke [37].

Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke [40].

 

Kwantumverstrengeling vindt plaats tussen centrum van verstrengelde subatomair deeltjes via matroesjkaballon [41].

 

4  Onderbouwing.

 

1   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Object heeft een coördinaat in heelal of gedeelte daarvan.

2      Is ook waar:

o   Plaats van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan.

3      Conclusie:

o   Plaats van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan.

2   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Plaats van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan [1].

o   Kenmerk van object is niét gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan.

Ø  Kenmerk is bijvoorbeeld: Grootte, kleur, samenstelling, spin, en zo voort.

2      Is ook waar:

o   Plaats en kenmerk van object zijn elkaars tegenpolen met tegengestelde kenmerken.

3      Conclusie:

o   Plaats en kenmerk van object zijn elkaars tegenpolen met tegengestelde kenmerken.

3   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van plaats van object is uitsluitend begrensd.

2      Is ook waar:

o   Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd.

4   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht tussen het levende vereist een concreet transportmedium.

o   Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].

2      Is ook waar:

o   Leven kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen.

3      Conclusie:

o   Leven kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen.

5   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].

2      Is ook waar:

o   Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd.

Of.

o   Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd.

Toelichting:

o   Staat gelijk aan "noodzakelijkerwijs instantaan/tijdloos".

6   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd.

Toelichting:

·       Staat gelijk aan "noodzakelijkerwijs instantaan/tijdloos".

o   Leven kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen [4].

Toelichting:

·       Leven heeft geen toegang heeft tot puur abstracte overdracht

2      Is ook waar:

o   Proposities zijn strijdig met elkaar.

Toelichting:

·       Dit omdat informatieoverdracht intrinsiek een abstract proces is.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd’, is onwaar.

7   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd’, is onwaar [6].

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd’, is waar.

3      Conclusie:

o   Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd.

8   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].

o   Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].

2      Is ook waar:

o   Er is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o   Er is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete.

9   Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Er is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete [8].

2      Is ook waar:

o   Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte.

Of.

o   Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte.

 

10 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte.

o   Wij veranderen begrensd van grootte.

Toelichting:

·       Het betreft snelheid van kenmerk van het concrete.

2      Is ook waar:

o   Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte, is onwaar.

11 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte, is onwaar [10].

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete, is waar.

3      Conclusie:

o   Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete.

12 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete [11].

Toelichting:

·       Concreet: snelheid van kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd

o   Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].

Toelichting:

·       Abstract: snelheid van kenmerk van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd.

o   Tegenpoolkoppelregel: De dynamische kenmerkeigenschap (snelheid) van het concrete spiegelt de dynamische plaats-eigenschap van het abstracte.

2      Is ook waar:

o   Snelheid van kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd.

13 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht tussen het levende vereist een concreet transportmedium [4 (Als waar is:)].

o   Bij kwantumverstrengeling is sprake van informatieoverdracht, niét via een transportmedium.

2      Is ook waar:

o   Er is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium.

3      Conclusie:

o   Er is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium.

14 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Er is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium [13].

o   Transportmedium vereist uitsluitend het concrete.

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete.

15 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte.

Of.

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte.

 

16 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte.

o   Informatieoverdracht vereist een concrete bron en bestemming in het heelal.

2      Is ook waar:

o   Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte’, is onwaar.

17 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte’, is onwaar [16].

o   “Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist inhoudelijk zowel het abstracte als het concrete, en vereist als drager uitsluitend het abstracte.”

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete’, is waar.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete.

18 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].

o   Informatieoverdracht vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16 (Als waar is:)].

o   Transportmedium vereist uitsluitend het concrete [14 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het heelal.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het heelal.

19 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het heelal [18].

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete [17].

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal.

Of.

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal.

 

20 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal.

o   Informatieoverdracht vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o   Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal’, is onwaar.

21 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal’, is onwaar [20].

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal’, is waar.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal.

22 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het heelal [18].

o   Informatieoverdracht tussen het levende vereist een concreet transportmedium [4 (Als waar is:)].

o   Als informatieoverdracht een concreet transportmedium vereist, dan vereist zij zowel het dode als levende, omdat elk concreet transportmedium noodzakelijk beide toestanden kan aannemen.

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende.

23 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende [22].

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode.

Of.

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende.

 

24 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende.

Toelichting:

·       Een concrete bron en bestemming betreft noodzakelijk materie/deeltjes die niet-levend (dood) zijn; dit botst met de aanname dat er uitsluitend het levende wordt vereist.

o   Informatieoverdracht vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o   Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende’, is onwaar.

25 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende’, is onwaar [24].

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode’, is waar.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode.

26 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht, wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].

o   Snelheid van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].

2      Is ook waar:

o   Snelheid van informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd.

27 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd [26].

o   Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].

o   Als informatieoverdracht niét via een transportmedium plaatsvindt, dan vereist zij als drager uitsluitend het abstracte [17].

o   Als een proces als drager uitsluitend het abstracte vereist, dan is de snelheid ervan uitsluitend onbegrensd [7].

2      Is ook waar:

o   Snelheid van informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd.

28 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd [27].

o   Bij kwantumverstrengeling is sprake van informatieoverdracht, niét via een transportmedium [13 (Als waar is:)].

2      Is ook waar:

o   Snelheid van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd.

29 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd [28].

o   Er is niét een ander soort informatieoverdracht tussen het dode als dat bij kwantumverstrengeling.

2      Is ook waar:

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd.

30 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd [29].

o   Snelheid van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].

o   “Dode” en “levende” vormen een tegenpoolpaar voor informatie‑snelheid:

o   als de ene uitsluitend onbegrensd is, dan is de andere uitsluitend begrensd.

2      Is ook waar:

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het levende is uitsluitend begrensd.

3      Conclusie:

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het levende is uitsluitend begrensd.

31 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Er vindt soms informatieoverdracht plaats tussen ongelijksoortig leven.

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie.

32 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Informatieoverdracht tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie [31].

o   “Levend” en “dood” vormen een tegenpoolpaar voor relatie‑vereisten: als informatieoverdracht tussen het levende géén gelijksoortige relatie vereist, dan vereist informatieoverdracht tussen het dode wél een gelijksoortige relatie.

2      Is ook waar:

o   Informatieoverdracht tussen het dode vereist wél een gelijksoortige relatie.

3      Conclusie:

o   Informatieoverdracht tussen het dode vereist wél een gelijksoortige relatie.

33 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Al het lichamelijke bestaat uit Planckdeeltjes met spin [Inleiding].

o   Het uitwendige van subatomaire deeltjes bestaat uit Planckdeeltjes met spin [Inleiding].

o   Subatomaire deeltjes komen uitsluitend (op meerdere wijze) voor in het heelal.

2      Is ook waar:

o   Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor.

3      Conclusie:

o   Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor.

34 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal [21].

o   Als het lichamelijke op meerdere wijze uitsluitend binnen het heelal voorkomt, dan komt het geestelijke op meerdere wijze uitsluitend buiten het heelal voor, tenzij het geestelijke noodzakelijk aanwezig is binnen het heelal door een concrete drager.

2      Is ook waar:

o   Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor.

Of.

o   Geestelijke komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor.

 

35 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor.

o   Wij hebben iets geestelijks.

o   Wij bevinden ons uitsluitend binnen het heelal [33].

2      Is ook waar:

o   Deze proposities zijn onderling strijdig.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor’, is onwaar.

36 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor’, is onwaar [35].

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Geestelijke komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor’, is waar.

3      Conclusie:

o   Geestelijke komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor.

37 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Wij kunnen zonder het geestelijke niet communiceren met elkaar.

o   Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].

Toelichting:

·       Communicatie tussen het levende vereist de fysieke uitwisseling van signalen, wat het lichamelijke vereist.

2      Is ook waar:

o   Communicatie tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke.

3      Conclusie:

o   Communicatie tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke.

38 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Communicatie tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke [37].

o   “Levend” en “dood” vormen een tegenpoolpaar voor communicatie‑componenten: als communicatie tussen het levende zowel het geestelijke als het lichamelijke vereist, dan vereist communicatie tussen het dode uitsluitend één van beide componenten, en wel het component dat niet noodzakelijk is voor het levende.

2      Is ook waar:

o   Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke.

Of.

o   Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke.

3      Conclusie:

o   Er is keuze.

Stel: Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke.

 

39 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke.

o   Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal [21].

o   Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd [29].

Toelichting:

·       Communicatie tussen het dode betreft informatieoverdracht niét via een transportmedium.

2      Is ook waar:

o   Proposities zijn strijdig met elkaar.

3      Conclusie:

o   Stelling: ‘Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke’, is onwaar.

40 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Stelling: ‘Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke’, is onwaar [39].

2      Is ook waar:

o   Stelling: ‘Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke’, is waar.

3      Conclusie:

o   Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke.

41 Zie conclusie.

Is onderbouwd:

1      Als waar is:

o   Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke [40].

o   Snelheid van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd [29].

Toelichting:

·       Kwantumverstrengeling is een vorm van communicatie/informatieoverdracht tussen het dode.

o   Centrum van subatomair deeltje en matroesjkaballon (massief deel van hyperkubus) zijn de geestelijke entiteiten in microscopisch domein [Geest - Micro vs. Macro].

2      Is ook waar:

o   Kwantumverstrengeling kan uitsluitend verlopen via de daarvoor aanwezige geestelijke entiteiten in het microscopische domein.

3      Conclusie:

o   Kwantumverstrengeling kan uitsluitend verlopen via de daarvoor aanwezige geestelijke entiteiten in het microscopische domein.

5  Bijlagen.

 

Bijlage — Brugmodule voor Kwantumverstrengeling.g

Formele brugstellingen voor abstract‑concreet, levend‑dood, geest‑lichaam en informatie‑dynamiek

I. Domeinregels

  1. Abstracte domein
  2. Concrete domein
  3. Levend domein
  4. Dode domein
  5. Geestelijke domein
  6. Lichamelijke domein

II. Brugstellingen

Brugstelling A — Plaats ↔ Kenmerk

Als abstracte plaats‑snelheid zowel begrensd als onbegrensd is, dan is concrete kenmerk‑snelheid zowel begrensd als onbegrensd.

Zie: plaats‑kenmerk koppeling

Brugstelling B — Levend ↔ Dood (communicatie)

Als levend‑communicatie geestelijke én lichamelijke component vereist, dan vereist dode communicatie uitsluitend het geestelijke.

Zie: levend‑dood communicatie

Brugstelling C — Medium ↔ Geen medium

Als informatieoverdracht via transportmedium uitsluitend het concrete vereist, dan vereist informatieoverdracht zonder medium uitsluitend het abstracte als drager.

Zie: mediumstructuur

Brugstelling D — Binnen ↔ Buiten heelal

Als het lichamelijke uitsluitend binnen het heelal voorkomt, dan komt het geestelijke zowel binnen als buiten het heelal voor.

Zie: heelalstructuur

Brugstelling E — Snelheid levend ↔ dood

Als dode informatieoverdracht uitsluitend onbegrensd is, dan is levende informatieoverdracht uitsluitend begrensd.

Zie: snelheidsstructuur

III. Universele Afleidingen

  1. Informatieoverdracht via medium
  2. Informatieoverdracht zonder medium
  3. Dode communicatie
  4. Levende communicatie

IV. Eindstelling (voor Kwantumverstrengeling.g)

Alle tijdloze informatieoverdracht verloopt uitsluitend via geestelijke entiteiten in het microscopische domein.

Deze eindstelling is volledig consistent met:

V. Doel van deze bijlage

Deze brugmodule is ontworpen om: