Inhoud.
Is
onderverdeeld:
1 Inleiding.
2 Uitgangspunt.
3 Samenvatting.
4 Onderbouwing.
5 Bijlagen.
1 Inleiding.
Onbegrensd
snelle informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is één van de vele
verschijnselen die geen rekening houden met de gewone natuurkunde.
Mijn ideeën
staan ook ver af van de gewone natuurkunde; ze zijn tot stand gekomen op basis
van een down-top benadering met gebruikmaking van een Natuurwet.
Mijn eerste
uitgangspunten.
o
Er
is uitsluitend onbegrensd lege ruimte dat niet met zichzelf is samengevoegd
(het is enkelvoudig).
o
Er
is vanuit lege ruimte een Natuurwet uitgevaardigd.
De Natuurwet
luidt: Al het abstracte heeft een tegenpool met tegengestelde kenmerken
(uitgezonderd het hiërarchisch hoogst abstracte).
Uiteindelijk ontstaat
(plastisch uitgedrukt) het onderstaande wereldbeeld.
Het
kleinst object (Planckdeeltje) in het heelal.
o Is één Planckafstand groot (ongeveer
10E-35 meter).
o Is bolvormig.
o Maakt deel uit van het uitwendige (het
draaiend deel) van een subatomair deeltje; is met spin en daardoor met lading;
is het lichamelijke.
o Maakt deel uit van het inwendige
(centrum) van een subatomair deeltje; is zonder spin en daardoor zonder lading;
is het geestelijke.
Het
heelal.
o Is gevulde ruimte (hol).
o Dijt met de lichtsnelheid uit.
o Is ingesloten door een cartesisch
coördinatenstelsel.
Het
heelal vormt het inwendige van een matroesjkaballon.
Een
matroesjkaballon.
o Is gevulde ruimte (massief).
o Is onbegrensd met zichzelf samengevoegd.
o Is een aaneenschakeling van een
onbegrensd aantal deelballonnen.
o Is ongeveer 10E+35 meter in diameter.
o Is zonder spin en daardoor zonder lading;
is het geestelijke.
De
wanddikte van de matroesjkaballon is ongeveer 10E-35 meter.
De
matroesjkaballon is omsloten door een kubusvormig leeg stuk ruimte.
Het
kubusvormig leeg stuk ruimte.
o Heeft een ribbe van ongeveer 10E+105
meter.
o Is onbegrensd met zichzelf samengevoegd.
o Is een verzameling van aaneengeschakeld
kubusvormig leeg stukken ruimte met een ribbe van ongeveer 10E+35 meter.
o Is zonder spin daardoor zonder lading;
is het geestelijke.
Het
kubusvormig leeg stuk ruimte is omsloten door het absolute NIETS van
onbegrensde omvang.
Elk deelballon,
als gedeelte van de matroesjkaballon, is goed voor.
o
Eén
Planckdeeltje zonder spin en daardoor zonder lading; is het geestelijke.
Of.
o
Meerdere
(twee) Planckdeeltjes met spin +1, -1 en daardoor met lading +, - ; is het
lichamelijke.
Degene (het
zullen er zeer velen zijn) die beginnen te steigeren geef ik het volgende
advies: ‘Kruip in de huid van het kleinste (een Planckdeeltje) en je betreedt
een onbegrensde wereld met een midden’.
Voor het
grootste (het heelal) geldt het tegenovergestelde; het is begrensd en heeft
niet een midden.
De uitkomsten
van de module zijn gebaseerd op plausibele uitgangspunten.
2 Uitgangspunt.
Object heeft
een coördinaat in heelal of gedeelte daarvan [1].
Kenmerk van
object is niét gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan [2].
Ø Kenmerk is bijvoorbeeld: Grootte, kleur,
samenstelling, spin, en zo voort.
Snelheid van
plaats van object is uitsluitend begrensd [3].
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist een concreet transportmedium [4].
Wij veranderen begrensd
van grootte [10].
Bij
kwantumverstrengeling is sprake van informatieoverdracht, niét via een
transportmedium [13].
Transportmedium
vereist uitsluitend het concrete [14].
Informatieoverdracht
vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16].
Er is niét een
ander soort informatieoverdracht tussen het dode als dat bij
kwantumverstrengeling [29].
Er vindt soms
informatieoverdracht plaats tussen ongelijksoortig leven [31].
Subatomaire
deeltjes komen uitsluitend voor in het heelal [33].
Wij hebben iets
geestelijks [35].
Wij kunnen (de
wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) zonder het
geestelijke niet communiceren met elkaar [37].
3 Samenvatting.
3.1 Algemeen.
Informatieoverdracht
bij kwantumverstrengeling.
o Vindt plaats via de matroesjkaballon.
o Vindt onbegrensd snel plaats; is
tijdloos.
Buiten het
kader van deze module valt het onderstaande.
In
de natuur is wel degelijk sprake van onbegrensd snelle verandering van grootte
van een object.
De
verandering van grootte van een object bestaat kort door de bocht uit:
o Het leeglopen van een deelballon, vanuit
de matroesjkaballon; met als gevolg het ontstaan van Plankdeeltje(s) in het
heelal.
o Het vollopen van een deelballon, naartoe
de matroesjkaballon; met als gevolg het verdwijnen van Plankdeeltje(s) in het
heelal.
Het
leeglopen markeert de geboorte van zowel het dode als levende; het geestelijke
en lichamelijke.
Het
vollopen markeert de dood van uitsluitend het levende; het geestelijke.
3.2 Conclusies.
Plaats van
object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan [1].
Plaats en
kenmerk van object zijn elkaars tegenpolen met tegengestelde kenmerken [2].
Snelheid van
plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].
Leven kan niét
tijdloos met elkaar informatie uitwisselen [4].
Snelheid van
plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].
Er is zowel
snelheid van plaats van het abstracte als concrete [8].
Er is
uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete [11].
Snelheid van
kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd [12].
Er is
informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium [13].
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete [17].
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het
heelal [18].
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het
heelal [21].
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende [22].
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode [25].
Snelheid van
informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd [26].
Snelheid van
informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd [27].
Snelheid van
informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd [28].
Snelheid van
informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd [29].
Snelheid van
informatieoverdracht tussen het levende is uitsluitend begrensd [30].
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie [31].
Informatieoverdracht
tussen het dode vereist wél een gelijksoortige relatie [32].
Lichamelijke
komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].
Geestelijke
komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor [36].
Communicatie tussen
het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
zowel het geestelijke als lichamelijke [37].
Communicatie tussen
het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
uitsluitend het geestelijke [40].
Kwantumverstrengeling
vindt plaats tussen centrum van verstrengelde subatomair deeltjes via
matroesjkaballon [41].
4 Onderbouwing.
1 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Object
heeft een coördinaat in heelal of gedeelte daarvan.
2
Is
ook waar:
o
Plaats
van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan.
3 Conclusie:
o
Plaats
van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan.
2 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Plaats
van object is wél gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan [1].
o
Kenmerk
van object is niét gekoppeld aan locatie in heelal of gedeelte daarvan.
Ø
Kenmerk
is bijvoorbeeld: Grootte, kleur, samenstelling, spin, en zo voort.
2
Is
ook waar:
o
Plaats
en kenmerk van object zijn elkaars tegenpolen met tegengestelde kenmerken.
3 Conclusie:
o
Plaats
en kenmerk van object zijn elkaars tegenpolen met tegengestelde kenmerken.
3 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van plaats van object is uitsluitend begrensd.
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd.
4 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist een concreet transportmedium.
o
Snelheid
van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].
2
Is
ook waar:
o
Leven
kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen.
3 Conclusie:
o
Leven
kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen.
5 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd.
Of.
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd.
3 Conclusie:
o
Er
is keuze.
Stel: Snelheid van plaats
van het abstracte is uitsluitend onbegrensd.
6 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd.
o
Leven
kan niét tijdloos met elkaar informatie uitwisselen [4].
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3 Conclusie:
o
Stelling:
‘Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend onbegrensd’, is onwaar.
7 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Snelheid van plaats van het abstracte is uitsluitend
onbegrensd’, is onwaar [6].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Snelheid van plaats van het abstracte is zowel
begrensd als onbegrensd’, is waar.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd.
8 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].
o
Snelheid
van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].
2
Is
ook waar:
o
Er
is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete.
3 Conclusie:
o
Er
is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete.
9 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is zowel snelheid van plaats van het abstracte als concrete [8].
2
Is
ook waar:
o
Er
is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte.
Of.
o
Er
is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete.
3 Conclusie:
o
Er
is keuze.
Stel: Er is uitsluitend
snelheid van kenmerk van het abstracte.
10 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte.
o
Wij
veranderen begrensd van grootte.
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3 Conclusie:
o
Stelling:
‘Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte, is onwaar.
11 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het abstracte, is onwaar [10].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Er is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete, is waar.
3 Conclusie:
o
Er
is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete.
12 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is uitsluitend snelheid van kenmerk van het concrete [11].
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd
[7].
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van kenmerk van het concrete is zowel begrensd als onbegrensd.
13 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist een concreet transportmedium [4 (Als waar is:)].
o
Bij
kwantumverstrengeling is sprake van informatieoverdracht, niét via een
transportmedium.
2
Is
ook waar:
o
Er
is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium.
3 Conclusie:
o
Er
is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium.
14 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is informatieoverdracht, zowel niét als wél via een transportmedium [13].
o
Transportmedium
vereist uitsluitend het concrete.
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete.
3 Conclusie:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete.
15 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte.
Of.
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete.
3 Conclusie:
o
Er
is keuze.
Stel:
Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het
abstracte.
16 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte.
o
Informatieoverdracht
vereist een concrete bron en bestemming in het heelal.
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3 Conclusie:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het
abstracte’, is onwaar.
17 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het abstracte’, is onwaar [16].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete’, is waar.
3 Conclusie:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete.
18 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].
o
Informatieoverdracht
vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16 (Als waar is:)].
o
Transportmedium
vereist uitsluitend het concrete [14 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het
heelal.
3 Conclusie:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het
heelal.
19 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het
heelal [18].
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist zowel het abstracte als concrete [17].
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal.
Of.
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het
heelal.
3 Conclusie:
o
Er
is keuze.
Stel: Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het
heelal.
20 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het
heelal.
o
Informatieoverdracht
vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16 (Als waar is:)].
2
Is ook
waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3 Conclusie:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete;
uitsluitend buiten het heelal’, is onwaar.
21 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend buiten het heelal’, is onwaar [20].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het heelal’, is waar.
3 Conclusie:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het
heelal.
22 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist het concrete; uitsluitend binnen het
heelal [18].
o
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist een concreet transportmedium [4 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende.
3 Conclusie:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende.
23 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist zowel het dode als levende [22].
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode.
Of.
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende.
3 Conclusie:
o
Er
is keuze.
Stel:
Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het
levende.
24 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende.
o
Informatieoverdracht
vereist een concrete bron en bestemming in het heelal [16 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3 Conclusie:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het
levende’, is onwaar.
25 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het levende’, is onwaar [24].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Informatieoverdracht, niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode’, is waar.
3 Conclusie:
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist uitsluitend het dode.
26 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht,
wél via een transportmedium, vereist uitsluitend het concrete [14].
o
Snelheid
van plaats van het concrete is uitsluitend begrensd [3].
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van informatieoverdracht, wél via een transportmedium, is uitsluitend begrensd.
27 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van informatieoverdracht, wél via een
transportmedium, is uitsluitend begrensd
[26].
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van informatieoverdracht, niét via
een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd.
28 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van informatieoverdracht, niét via een transportmedium, is uitsluitend onbegrensd
[27].
o
Bij
kwantumverstrengeling is sprake van informatieoverdracht, niét via een
transportmedium [13 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd.
29 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van informatieoverdracht bij kwantumverstrengeling is uitsluitend onbegrensd [28].
o
Er
is niét een ander soort informatieoverdracht tussen het dode als dat bij
kwantumverstrengeling.
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd.
3 Conclusie:
o
Snelheid
van informatieoverdracht tussen het dode is uitsluitend onbegrensd.
30 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Snelheid
van informatieoverdracht tussen het dode
is uitsluitend onbegrensd [29].
o
Snelheid
van plaats van het abstracte is zowel begrensd als onbegrensd [7].
2
Is
ook waar:
o
Snelheid
van informatieoverdracht tussen het levende
is uitsluitend begrensd.
3
Conclusie:
o
Snelheid
van informatieoverdracht tussen het levende is uitsluitend begrensd.
31 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
vindt soms informatieoverdracht plaats tussen ongelijksoortig leven.
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie.
3
Conclusie:
o
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie.
32 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Informatieoverdracht
tussen het levende vereist niét een gelijksoortige relatie [31].
2
Is
ook waar:
o
Informatieoverdracht
tussen het dode vereist wél een gelijksoortige relatie.
3
Conclusie:
o
Informatieoverdracht
tussen het dode vereist wél een gelijksoortige relatie.
33 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Al
het lichamelijke bestaat uit Planckdeeltjes met spin [Inleiding].
o
Het
uitwendige van subatomaire deeltjes bestaat uit Planckdeeltjes met spin
[Inleiding].
o
Subatomaire
deeltjes komen uitsluitend voor in het heelal.
2
Is
ook waar:
o
Lichamelijke
komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor.
3
Conclusie:
o Lichamelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor.
34 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Lichamelijke
komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het
heelal [21].
2
Is
ook waar:
o
Geestelijke
komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor.
Of.
o
Geestelijke
komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor.
3
Conclusie:
o Er is keuze.
Stel: Geestelijke komt op
meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor.
35 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Geestelijke
komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor.
o
Wij
hebben iets geestelijks.
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3
Conclusie:
o Stelling: ‘Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend buiten het heelal voor’, is onwaar.
36 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Geestelijke komt op meerdere wijze, uitsluitend
buiten het heelal voor’, is onwaar [35].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Geestelijke komt op meerdere wijze, zowel
binnen als buiten het heelal voor’, is waar.
3
Conclusie:
o Geestelijke komt op meerdere wijze, zowel binnen als buiten het heelal voor.
37 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Wij
kunnen (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) zonder
het geestelijke niet communiceren met elkaar.
2
Is
ook waar:
o
Communicatie
tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing
gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke.
3
Conclusie:
o Communicatie tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke.
38 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Communicatie
tussen het levende (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing
gelaten) vereist zowel het geestelijke als lichamelijke [37].
2
Is
ook waar:
o
Communicatie
tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
uitsluitend het geestelijke.
Of.
o
Communicatie
tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
uitsluitend het lichamelijke.
3
Conclusie:
o Er is keuze.
Stel: Communicatie tussen
het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
uitsluitend het lichamelijke.
39 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Communicatie
tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
uitsluitend het lichamelijke.
o
Informatieoverdracht,
niét via een transportmedium, vereist het concrete; zowel binnen als buiten het
heelal [21].
o
Lichamelijke
komt op meerdere wijze, uitsluitend binnen het heelal voor [33].
2
Is
ook waar:
o
Proposities
zijn strijdig met elkaar.
3
Conclusie:
o Stelling: ‘Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke’, is onwaar.
40 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Stelling:
‘Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten
beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het lichamelijke’, is onwaar
[39].
2
Is
ook waar:
o
Stelling:
‘Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten
beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke’, is waar.
3
Conclusie:
o Communicatie tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist uitsluitend het geestelijke.
41 Zie conclusie.
Is
onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Communicatie
tussen het dode (de wijze van informatieoverdracht buiten beschouwing gelaten) vereist
uitsluitend het geestelijke [40].
o
Centrum
van subatomair deeltje is geestelijk [Inleiding].
o
Matroesjkaballon
is geestelijk [Inleiding].
2
Is
ook waar:
o
Kwantumverstrengeling
vindt plaats tussen centrum van verstrengelde subatomair deeltjes via matroesjkaballon.
3
Conclusie:
o Kwantumverstrengeling vindt plaats tussen centrum van verstrengelde subatomair deeltjes via matroesjkaballon.
5 Bijlagen.
Geen.