Inhoud.
Is
onderverdeeld:
1 Inleiding.
2 Uitgangspunt.
3 Samenvatting.
4 Onderbouwing.
5 Bijlagen.
1 Inleiding.
De module bevat
een indeling van fermionen die Natuurwetproef is.
De wet wint aan
kracht wanneer het gepaard gaat met toetsbare voorspellingen.
2 Uitgangspunt.
Elektron draait
om atoomkern [1].
Elektron is een
lepton [1].
Elektron is
waarneembaar [1].
Er is niét een
ander soort lepton binnen AD dan elektron [1].
Elektron komt
buiten atoom voor [2].
Elektron is
materie [3].
Elektron heeft
lading-pool (= 1) [13].
Elektron heeft
ladingpolariteit(-) [19].
Elektron heeft
grote vervaltijd (> 1,5E+34 s) [35].
Elektron komt
veel voor [35].
Elektron heeft
kleine rustmassa [35].
Elektron
behoort tot generatie = 1 [38].
3 Samenvatting.
3.1 Algemeen.
Fermion heeft
de volgende individuele kenmerken:
1
Zichtbare
vs. Onzichtbare (donkere) materie.
2
Antimaterie
vs. Materie.
3
Lading-pool vs. Lading-tegenpool.
Ø Is 1
vs. 0 (lepton).
Of.
Is 1/3 vs. 2/3
(quark).
4
Ladingpolariteit(+óf-)
vs. Ladingpolariteit(+én-) (lepton).
Of.
Ladingpolariteit(-) vs. Ladingpolariteit(+) (quark).
5
Generatie
= 1 (is stabiel) vs. Generatie ≠ 1 (is instabiel).
Ø Stabiel / instabiel is een verzamelkenmerk.
De kenmerken
gelden zowel in het domein van de zichtbare als onzichtbare (donkere) materie.
Er is de
volgende soorten lepton:
Kenmerk: 2 3 4 5
1
Elektron Materie Lading-pool (= 1) (-) 1
2
Elektron-neutrino Materie Lading-tegenpool (= 0) (+én-) 1
3
Muon Materie Lading-pool
(= 1) (-) 2
4
Muon-neutrino Materie Lading-tegenpool (= 0) (+én-) 2
5
Tau Materie Lading-pool (= 1) (-) 3
6
Tau-neutrino Materie Lading-tegenpool
(= 0) (+én-) 3
7
Positron Antimaterie Lading-pool
(= 1)
(+) 1
8
Elektron-antineutrino Antimaterie Lading-tegenpool
(= 0) (+én-) 1
9
Antimuon Antimaterie Lading-pool (= 1) (+) 2
10 Muon-antineutrino Antimaterie Lading-tegenpool (= 0) (+én-) 2
11 Antitau Antimaterie Lading-pool (= 1) (+) 3
12 Tau-antineutrino Antimaterie Lading-tegenpool (= 0) (+én-) 3
De onderbouwing
van lading-pool (= 1) vs. lading-tegenpool (= 0) vindt in een andere module
plaats.
Er is de
volgende soorten quark:
Kenmerk: 2 3 4 5
1
Down Materie Lading-pool (= 1/3) (-) 1
2
Up Materie
Lading-tegenpool (= 2/3) (+) 1
3
Strange Materie Lading-pool (= 1/3) (-) 2
4
Charm Materie Lading-tegenpool (= 2/3) (+) 2
5
Bottom Materie Lading-pool (= 1/3) (-) 3
6
Top Materie Lading-tegenpool (= 2/3) (+) 3
7
Down Antimaterie Lading-pool (= 1/3) (+) 1
8
Up Antimaterie Lading-tegenpool (= 2/3) (-) 1
9
Strange Antimaterie Lading-pool (= 1/3) (+) 2
10 Charm Antimaterie Lading-tegenpool (= 2/3) (-) 2
11
Bottom Antimaterie Lading-pool (= 1/3) (+) 3
12
Top` Antimaterie Lading-tegenpool (= 2/3) (-) 3
De onderbouwing
van lading-pool (= 1/3) vs. lading-tegenpool (= 2/3) vindt in een andere module
plaats.
Voor lepton
buiten AD geldt: Is zowel instabiel als stabiel [36].
Toelichting:
o
Voor
instabiel geldt:
Heeft
kleine vervaltijd.
Of.
Komt
weinig voor.
Of.
Rustmassa
is groot.
o
Voor
stabiel geldt:
Heeft
grote vervaltijd.
Of.
Komt
veel voor.
Of.
Rustmassa
is klein.
Voor meerdere (twee)
generaties (is generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel [50].
Toelichting:
o
Voorspelling:
Er is niet meer dan drie generaties.
Voor fermion in
domein ZM geldt: Bevat 24 soorten SD [57].
Toelichting:
o
Individueel
kenmerk 1 (Zichtbare vs. Onzichtbare (donkere) materie) telt niet mee voor het
rangschikken.
o
Als
reden hiervoor geldt: We zien de wereld uitsluitend vanuit ons eigen domein (is
domein ZM).
3.2 Conclusies.
Voor lepton
binnen AD geldt: Is uitsluitend waarneembaar [1].
Voor lepton
buiten AD geldt: Is zowel onwaarneembaar als waarneembaar [2].
Voor lepton
geldt: Is zowel OM als ZM [3].
Voor BSD ~ E ~
NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel OM als ZM [4].
Voor BSD(+óf-)
~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel OM als ZM [5].
Voor fermion
geldt: Is zowel OM als ZM [6].
Voor lepton binnen
AD geldt: Is uitsluitend materie [7].
Voor lepton
buiten AD geldt: Is zowel antimaterie als materie [8].
Voor lepton
geldt: Is zowel antimaterie als materie [9].
Voor BSD ~ E ~
NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie [10].
Voor BSD(+óf-)
~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel antimaterie als materie [11].
Voor fermion
geldt: Is zowel antimaterie als materie [12].
Voor lepton
binnen AD geldt: Heeft uitsluitend lading-pool [13].
Voor lepton
buiten AD geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [14].
Voor lepton
geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [15].
Voor BSD ~ E ~
NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [16].
Voor BSD(+óf-)
~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [17].
Voor fermion
geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [18].
Voor lepton met
lading-pool binnen AD geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(-) [19].
Voor lepton met
lading-pool buiten AD geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-) [20].
Voor lepton met
lading-pool geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-) [21].
Voor lepton met
lading-pool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-) [22].
Voor lepton met
lading-tegenpool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+én-) [23].
Voor lepton
geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-) [24].
Voor quark
geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-) [25].
Voor fermion
geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-) [26].
Voor lepton als
materie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(-) [27].
Voor lepton als
antimaterie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+) [28].
Voor BSD ~ E ~
NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft
ladingpolariteit(+) [29].
Voor BSD(+óf-)
~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft
ladingpolariteit(+) [30].
Voor quark als
antimaterie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+) [31].
Voor quark als
antimaterie met lading-tegenpool geldt: Heeft ladingpolariteit(-) [32].
Voor quark als
materie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(-) [33].
Voor quark als
materie met lading-tegenpool geldt: Heeft ladingpolariteit(+) [34].
Voor lepton
binnen AD geldt: Is uitsluitend stabiel [35].
Ø Is een verzamelkenmerk.
Voor lepton
buiten AD geldt: Is zowel instabiel als stabiel [36].
Ø Zie samenvatting.
Voor lepton
geldt: Is zowel instabiel als stabiel [37].
Voor lepton (generatie
= 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [38].
Voor BSD ~ E ~
NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool en
ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [39].
Voor BSD(+óf-)
~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark (generatie = 1) als materie met lading-pool en
ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [40].
Voor fermion (generatie
= 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [41].
Voor fermion (generatie
= 1) als materie met lading-tegenpool en ladingpolariteit(+) geldt: Is stabiel
[42].
Voor fermion (generatie
≠ 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is instabiel [43].
Voor fermion (generatie
= 1) als materie geldt: Is stabiel [44].
Voor fermion (generatie
= 1) als antimaterie geldt: Is instabiel [45].
Voor fermion (generatie
= 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel [46].
Voor fermion (generatie
≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel [47].
Voor fermion
geldt: Is zowel instabiel als stabiel [48].
Voor één
generatie (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel [49].
Voor meerdere (twee)
generaties (is generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel [50].
Voor lepton
geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [51].
Voor BSD ~ E ~
NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [52].
Voor BSD(+óf-)
~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [53].
Voor fermion
geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [54].
Voor
individuele kenmerken fermion geldt: Heeft meerdere kenmerken waarvan één
kenmerk gerelateerd is aan meerdere (andersoortige) kenmerken [55].
Voor
gemeenschappelijke kenmerken fermion geldt: Heeft meerdere kenmerken waarvan
één kenmerk gerelateerd is aan één (andersoortig) kenmerk [56].
Voor fermion in
domein ZM geldt: Bevat 24 soorten SD [57].
Voor fermion
geldt: Rangschikken individuele kenmerken is toegestaan [58].
Voor fermion
geldt: Combineren gemeenschappelijke kenmerken is toegestaan [59].
4 Onderbouwing.
1 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
draait om atoomkern.
o
Elektron
is een lepton.
o
Elektron
is waarneembaar.
o
Er
is niét een ander soort lepton binnen AD dan elektron.
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend waarneembaar.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend waarneembaar.
2 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend waarneembaar [1].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
komt buiten atoom voor.
o
Elektron
is waarneembaar [1 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel onwaarneembaar als waarneembaar.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel onwaarneembaar als waarneembaar.
3 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel onwaarneembaar als waarneembaar [2].
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend waarneembaar [1].
o
Elektron
is materie.
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel OM als ZM.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel OM als ZM.
4 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel OM als ZM [3].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [SD - Soorten].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel OM als ZM.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel OM als ZM.
5 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel OM als ZM [4].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [SD - Soorten].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel
OM als ZM.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel OM als ZM.
6 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel OM als ZM [5].
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel OM als ZM [4].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Is zowel OM als ZM.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Is zowel OM als ZM.
7 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
draait om atoomkern [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
is materie [3 (Als waar is:)].
o
Er
is niét een ander soort lepton binnen AD dan elektron [1 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend materie.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend materie.
8 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend materie [7].
o
Elektron
komt buiten atoom voor [2 (Als waar is:)].
o
Elektron
is materie [3 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel antimaterie als materie.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel antimaterie als materie.
9 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel antimaterie als materie [8].
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend materie [7].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie.
10 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie [9].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [4 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie.
11 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie [10].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel
antimaterie als materie.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel antimaterie als materie.
12 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Is zowel antimaterie als materie
[11].
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie
[10].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Is zowel antimaterie als materie.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Is zowel antimaterie als materie.
13 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
draait om atoomkern [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft lading-pool (= 1).
o
Er
is niét een ander soort lepton binnen AD dan elektron [1 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Heeft uitsluitend lading-pool.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Heeft uitsluitend lading-pool.
14 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Heeft uitsluitend lading-pool [13].
o
Elektron
komt buiten atoom voor [2 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft lading-pool (= 1) [13 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
15 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [14].
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Heeft uitsluitend lading-pool [13].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
16 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [15].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [4 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
17 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [16].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft
zowel lading-pool als tegenpool.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft zowel lading-pool als
tegenpool.
18 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft zowel lading-pool als
tegenpool [17].
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool
[16].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool.
19 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
draait om atoomkern [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft lading-pool (= 1) [13 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft ladingpolariteit(-).
o
Er
is niét een ander soort lepton binnen AD dan elektron [1 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton met lading-pool binnen AD geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton met lading-pool binnen AD geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(-).
20 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton met lading-pool binnen AD
geldt: Heeft uitsluitend
ladingpolariteit(-) [19].
o
Elektron
komt buiten atoom voor [2 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft ladingpolariteit(-) [19 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton met lading-pool buiten AD
geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+)
als (-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton met lading-pool buiten AD geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-).
21 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton met lading-pool buiten AD geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-)
[20].
o
Voor
lepton met lading-pool binnen AD geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(-)
[19].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-).
22 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+) als (-) [21].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-).
23 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft
uitsluitend ladingpolariteit(+óf-) [22].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton met lading-tegenpool geldt:
Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+én-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton met lading-tegenpool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+én-).
24 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton met lading-tegenpool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+én-)
[23].
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-) [22].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-).
25 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
quark geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-).
3 Conclusie:
o
Voor
quark geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-).
26 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
quark geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-) [25].
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-) [24].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-).
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-).
27 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton met lading-pool geldt: Heeft uitsluitend ladingpolariteit(+óf-) [22].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
is materie [3 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft lading-pool (= 1) [13 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft ladingpolariteit(-) [19 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton als materie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(-).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton als materie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(-).
28 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton als materie met lading-pool geldt:
Heeft ladingpolariteit(-) [27].
o
Voor
lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie [9].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton als antimaterie met lading-pool
geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
3 Conclusie:
o
Voor
lepton als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
29 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+) [28].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [4 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft
ladingpolariteit(+).
3 Conclusie:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft
ladingpolariteit(+).
30 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft
ladingpolariteit(+) [29].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark als antimaterie
met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
3 Conclusie:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark als antimaterie met lading-pool geldt:
Heeft ladingpolariteit(+).
31 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark als antimaterie met lading-pool geldt:
Heeft ladingpolariteit(+) [30].
2
Is
ook waar:
o
Voor
quark als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
3 Conclusie:
o
Voor
quark als antimaterie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
32 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
quark als antimaterie met lading-pool
geldt: Heeft ladingpolariteit(+) [31].
2
Is
ook waar:
o
Voor
quark als antimaterie met lading-tegenpool
geldt: Heeft ladingpolariteit(-).
3 Conclusie:
o
Voor
quark als antimaterie met lading-tegenpool geldt: Heeft ladingpolariteit(-).
33 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
quark als antimaterie met lading-tegenpool geldt: Heeft
ladingpolariteit(-) [32].
2
Is
ook waar:
o
Voor
quark als materie met lading-pool geldt: Heeft
ladingpolariteit(-).
3 Conclusie:
o
Voor
quark als materie met lading-pool geldt: Heeft ladingpolariteit(-).
34 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
quark als materie met lading-pool
geldt: Heeft ladingpolariteit(-) [33].
2
Is
ook waar:
o
Voor
quark als materie met lading-tegenpool
geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
3 Conclusie:
o
Voor
quark als materie met lading-tegenpool geldt: Heeft ladingpolariteit(+).
35 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Elektron
draait om atoomkern [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft grote vervaltijd (> 1,5E+34 s).
o
Elektron
komt veel voor.
o
Elektron
heeft kleine rustmassa.
o
Er is
niét een ander soort lepton binnen AD dan elektron [1 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend stabiel.
Ø
Is
een verzamelkenmerk.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend stabiel.
36 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend stabiel [35].
Ø
Is
een verzamelkenmerk.
o
Elektron
komt buiten atoom voor [2 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
Ø
Zie
samenvatting.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
37 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton buiten AD geldt: Is zowel instabiel als stabiel [36].
Ø
Zie
samenvatting.
o
Voor
lepton binnen AD geldt: Is uitsluitend stabiel [35].
Ø
Is
een verzamelkenmerk.
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
38 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel instabiel als stabiel [37].
o
Elektron
is een lepton [1 (Als waar is:)].
o
Elektron
behoort tot generatie = 1.
o
Elektron
is materie [3 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft lading-pool (= 1) [13 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft ladingpolariteit(-) [19 (Als waar is:)].
o
Elektron
heeft grote vervaltijd (> 1,5E+34 s) [35 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is stabiel.
39 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is stabiel [38].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [4 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool
en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool
en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel.
40 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool en
ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [39].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark (generatie = 1)
als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark (generatie = 1) als materie met
lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel.
41 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark (generatie = 1) als materie met
lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [40].
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton (generatie = 1) als materie met lading-pool
en ladingpolariteit(-) geldt: Is stabiel [39].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is stabiel.
42 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-pool
en ladingpolariteit(-) geldt: Is
stabiel [41].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-tegenpool
en ladingpolariteit(+) geldt:
Is stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-tegenpool en ladingpolariteit(+)
geldt: Is stabiel.
43 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie
met lading-tegenpool en ladingpolariteit(+) geldt: Is stabiel [42].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) als materie
met lading-pool en ladingpolariteit(-) geldt: Is instabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is instabiel.
44 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-tegenpool en ladingpolariteit(+)
geldt: Is stabiel [42].
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is stabiel [41].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie geldt: Is stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie geldt: Is stabiel.
45 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie
geldt: Is stabiel [44].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als antimaterie
geldt: Is instabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als antimaterie geldt: Is instabiel.
46 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) als antimaterie geldt: Is instabiel [45].
o
Voor
fermion (generatie = 1) als materie geldt: Is stabiel [44].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
47 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel [46].
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) als materie met lading-pool en ladingpolariteit(-)
geldt: Is instabiel [43].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel.
48 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel [47].
o
Voor
fermion (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel [46].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
49 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel [46].
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel [47].
2
Is
ook waar:
o
Voor
één generatie (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
één generatie (generatie = 1) geldt: Is zowel instabiel als stabiel.
50 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
één generatie (generatie = 1) geldt:
Is zowel instabiel als stabiel [49].
o
Voor
fermion (generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel [47].
o
Er
is drie generaties materie (kenmerk 3, 4 en 5) [Zie bijlage].
2
Is
ook waar:
o
Voor
meerdere (twee) generaties (is
generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend
instabiel.
3 Conclusie:
o
Voor
meerdere (twee) generaties (is generatie ≠ 1) geldt: Is uitsluitend instabiel.
51 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton geldt: Is zowel OM als ZM [3].
o
Voor
lepton geldt: Is zowel antimaterie als materie [9].
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [15].
o
Voor
lepton geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-) [24].
o
Voor
lepton geldt: Is zowel instabiel als stabiel [37].
2
Is
ook waar:
o
Voor
lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken.
3 Conclusie:
o
Voor
lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken.
52 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [51].
o
Er
is BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton [4 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken.
53 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [52].
o
Er
is BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark [5 (Als waar is:)].
2
Is
ook waar:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft
meerdere individuele kenmerken.
3 Conclusie:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft meerdere individuele
kenmerken.
54 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
BSD(+óf-) ~ E ~ NKVR ~ L=G ~ S=G; quark geldt: Heeft meerdere individuele
kenmerken [53].
o
Voor
BSD ~ E ~ NKVR ~ L=H ~ S=G; lepton geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken
[52].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken.
55 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [54].
o
Voor
fermion geldt: Is zowel OM als ZM [6].
o
Voor
fermion geldt: Is zowel antimaterie als materie [12].
o
Voor
fermion geldt: Heeft zowel lading-pool als tegenpool [18].
o
Voor
fermion geldt: Heeft zowel ladingpolariteit(+én-) als (+óf-) [26].
o
Voor
fermion geldt: Is zowel instabiel als stabiel [48].
2
Is
ook waar:
o
Voor
individuele kenmerken fermion geldt: Heeft meerdere kenmerken waarvan één
kenmerk gerelateerd is aan meerdere (andersoortige) kenmerken.
3 Conclusie:
o
Voor
individuele kenmerken fermion geldt: Heeft meerdere kenmerken waarvan één
kenmerk gerelateerd is aan meerdere (andersoortige) kenmerken.
56 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
individuele kenmerken fermion geldt: Heeft
meerdere kenmerken waarvan één kenmerk gerelateerd is aan meerdere (andersoortige) kenmerken [55].
o
SD
heeft de volgende gemeenschappelijke kenmerken: [SD - Soorten].
1.
Bolvormig
vs. Spiraalvormig.
2.
Enkelvoudig
vs. Samengesteld.
3.
Niét
krachtvoerend vs. Wél krachtvoerend.
4.
Lading
is gebrokentallig vs. Lading is heeltallig.
5.
Spin
is positief-halftallig (voldoet wél aan het uitsluitingsprincipe van Pauli) vs.
Spin is positief-heeltallig (voldoet niét aan het uitsluitingsprincipe van
Pauli).
2
Is
ook waar:
o
Voor
gemeenschappelijke kenmerken fermion geldt:
Heeft meerdere kenmerken waarvan één kenmerk gerelateerd is aan één (andersoortig) kenmerk.
3 Conclusie:
o
Voor
gemeenschappelijke kenmerken fermion geldt: Heeft meerdere kenmerken waarvan
één kenmerk gerelateerd is aan één (andersoortig) kenmerk.
57 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion geldt: Heeft meerdere individuele kenmerken [54].
o
Voor
n=4 en k = 4 geldt: Aantal rangschikkingen = n! / (n - k)! = 24 (is meerdere)
[Combineren vs. Rangschikken].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion in domein ZM geldt: Bevat 24 soorten SD.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion in domein ZM geldt: Bevat 24 soorten SD.
58 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion in domein ZM geldt: Bevat 24 soorten SD [57].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Rangschikken individuele kenmerken is toegestaan.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Rangschikken individuele kenmerken is toegestaan.
59 Zie conclusie.
Is onderbouwd:
1 Als waar is:
o
Voor
fermion geldt: Rangschikken individuele kenmerken is toegestaan [58].
o
Combineren
en rangschikken weerspiegelen de Natuurwet [Combineren vs. Rangschikken].
2
Is
ook waar:
o
Voor
fermion geldt: Combineren gemeenschappelijke kenmerken is
toegestaan.
3 Conclusie:
o
Voor
fermion geldt: Combineren gemeenschappelijke kenmerken is toegestaan.
5 Bijlagen.
o Afkortingen en symbolen.
o
Rangschikkingen
individuele kenmerken.
RANGSCHIKKINGEN INDIVIDUELE
KENMERKEN FERMION
Kenmerk: |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
||
1 |
|||||||
2 |
|||||||
3 |
|||||||
4 |
|||||||
5 |
|||||||
6 |
|||||||
7 |
|||||||
8 |
|||||||
|
9 |
||||||
10 |
|||||||
11 |
|||||||
12 |
|||||||
13 |
|||||||
14 |
|||||||
15 |
|||||||
16 |
|||||||
17 |
|||||||
18 |
|||||||
19 |
|||||||
20 |
|||||||
21 |
|||||||
22 |
|||||||
23 |
|||||||
24 |
|||||||
Voor rij 1 … 12
- kenmerk 1 geldt: Is lepton.
Voor rij 13 …
24, kenmerk 1 geldt: Is quark.
Voor rij 1 … 6,
kenmerk 2 geldt: Is materie.
Voor rij 7 …
12, kenmerk 2 geldt: Is antimaterie.
Voor rij 13 …
18, kenmerk 2 geldt: materie.
Voor rij 19 …
24, kenmerk 2 geldt: antimaterie.
Voor rij 1,
kenmerk 3 geldt: Is lading-pool (= 1).
Voor rij 2,
kenmerk 3 geldt: Is lading-tegenpool (= 0).
Voor rij 3,
kenmerk 3 geldt: Is lading-pool (= 1).
Voor rij 4,
kenmerk 3 geldt: Is lading-tegenpool (= 0).
En zo voort;
t/m rij 12.
Voor rij 13,
kenmerk 3 geldt: Is lading-pool (= 1/3).
Voor rij 14,
kenmerk 3 geldt: Is lading-tegenpool (= 2/3).
Voor rij 15,
kenmerk 3 geldt: Is lading-pool (= 1/3).
Voor rij 16,
kenmerk 3 geldt: Is lading-tegenpool (= 2/3).
En zo voort;
t/m rij 24.
Voor rij 1,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(-).
Voor rij 2,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+én-).
Voor rij 3,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(-).
Voor rij 4,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+én-).
Voor rij 5,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(-).
Voor rij 6,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+én-).
Voor rij 7,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+).
Voor rij 8,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+én-).
Voor rij 9,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+).
Voor rij 10,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+én-).
Voor rij 11,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+).
Voor rij 12,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+én-).
Voor rij 13,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(-).
Voor rij 14,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+).
Voor rij 15,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(-).
Voor rij 16,
kenmerk 4 geldt: Is ladingpolariteit(+).
En zo voort;
t/m rij 24.
Voor rij 1, 2 kenmerk
5 geldt: Is generatie 1.
Voor rij 3, 4
kenmerk 5 geldt: Is generatie 2.
Voor rij 5, 6
kenmerk 5 geldt: Is generatie 3.
Voor rij 7, 8 kenmerk
5 geldt: Is generatie 1.
Voor rij 9, 10
kenmerk 5 geldt: Is generatie 2.
Voor rij 11, 12
kenmerk 5 geldt: Is generatie 3.
En zo voort;
t/m rij 24.
Voor generatie
1 geldt:
o
Is
stabiel (heeft grote vervaltijd).
o
Komt
veel voor.
o
Rustmassa
is klein.
Voor generatie
2, 3 geldt:
o
Is instabiel
(heeft kleine vervaltijd).
o
Komt
weinig voor.
o
Rustmassa
is groot.