Inhoud.

                                                                 

Is onderverdeeld:

1      Inleiding.

2      Uitgangspunt.

3      Samenvatting.

4      Onderbouwing.

5      Bijlagen.

 

1  Inleiding.

 

Zie module:

o   Inleiding.

 

Deze module gaat in op:

o   Is een elektron hol of massief?

 

2  Uitgangspunt.

    

Niet van toepassing.

 

3  Samenvatting.

 

3.1    Algemeen.

 

Elektron is hol.

 

3.2    Conclusies.

 

Niet van toepassing.

 

4  Onderbouwing.

 

…a    = Als waar is.

…i     = Is ook waar.

 

1a     Voor massief geldt: Bestaat wél geheel uit zichzelf.

2i      Voor hol geldt: Bestaat niét geheel uit zichzelf.

 

2a     Voor hol geldt: Bestaat niét geheel uit zichzelf.

3a     Voor voetbal geldt: Bestaat niét geheel uit zichzelf.

4i      Voor voetbal geldt: Is hol.

 

4a     Voor voetbal geldt: Is hol.

5a     Voor voetbal geldt: Vervormt (wanneer er tijdelijk een kracht op uitgeoefend wordt) en keert geheel, gedeeltelijk of niet terug in de oorspronkelijke toestand.

6a     Er is nooit iets ontdekt dat hol is en niét vervormbaar is.

7i      Voor iets wat wél vervormbaar is geldt: Is hol.

         Toelichting:

o   Is volgens de bewijskracht dat elke appel valt.

 

7a     Voor hol geldt: Is iets wat wél vervormbaar is.

8i      Voor massief geldt: Is iets wat niét vervormbaar is.

 

9a     Voor elektron geldt: Is niét vervormbaar.

         Toelichting:

o   In de zin van: ‘stel dat’.

10a   Voor elektron geldt: Heeft massa ≠0.

11a   Voor elektron geldt: Botst frontaal tegen ander elektron met gelijke snelheid.

12i    Voor frontale botsing elektron geldt: Komt in één Plancktijd tot stilstand.

         Toelichting:

o   In de zin van: ‘stel dat’.

 

12a   Voor frontale botsing elektron geldt: Komt in één Plancktijd tot stilstand.

         Toelichting:

o   In de zin van: ‘stel dat’.

13a   Voor elektron geldt: Heeft rustmassa = 9,11E10-31 (kg).

14a   Voor kracht geldt: Is rustmassa * versnelling (N).

15a   Voor snelheid elektron geldt: Is bijvoorbeeld 2,05E+7 (m/s).

16a   Voor versnelling geldt: Is verandering snelheid/tijd (m/s^2).

17a   Voor kracht tijdens frontale botsing elektron geldt: Is rustmassa * versnelling (N).

18i    Voor kracht tijdens frontale botsing elektron geldt: Is 9,11E10-31 * 2,05E+7/5,391E-44 (N).

19i    Voor kracht tijdens frontale botsing elektron geldt: Is 3,45E+20 (N).

 

19a   Voor kracht tijdens frontale botsing elektron geldt: Is 3,45E+20 (N).

20a   Voor elektron geldt: kan niét kracht = 3,45E+20 (N) doorstaan. Dit in combinatie met: “in extreme hypothetische scenario's en door experimentele bevestiging binnen quantumelektrodynamica, is vervorming aangetoond”.

21i    Voor stelling ‘Voor elektron geldt: Is niét vervormbaar’ geldt: Is onwaar.

 

21a   Voor stelling ‘Voor elektron geldt: Is niét vervormbaar’ geldt: Is onwaar.

22i    Voor stelling ‘Voor elektron geldt: Is wél vervormbaar’ geldt: Is waar.

 

22a   Voor stelling ‘Voor elektron geldt: Is wél vervormbaar’ geldt: Is waar.

7a     Voor iets wat wél vervormbaar is geldt: Is hol.

23i    Voor elektron geldt: Is hol.

         Toelichting:

o   23.1a   Voor het holle (elektron) geldt: Vereist het massieve.

o   23.2i    Voor het massieve (Natuurdeeltje als exact Planckdeeltje) geldt: Vereist het holle.

o    

o   23.2a   Voor het massieve (Natuurdeeltje als exact Planckdeeltje) geldt: Vereist het holle.

o   23.1a   Voor het holle (elektron) geldt: Vereist het massieve.

o   23.3i    Voor Natuurdeeltje geldt: komt niet zelfstandig in de natuur voor.

o    

o   23.2a   Voor het massieve (Natuurdeeltje als exact Planckdeeltje) geldt: Vereist het holle.

o   23.1a   Voor het holle (elektron) geldt: Vereist het massieve.

o   23.4a   Voor elektron geldt: heeft ladingpolariteit(-).

o   23.5i    Voor elektron geldt: vereist Natuurdeeltje met ladingpolariteit(-) als uitwendig deel.

o    

o   23.5a   Voor elektron geldt: vereist Natuurdeeltje met ladingpolariteit(-) als uitwendig deel.

o   23.6i    Voor positron geldt: vereist Natuurdeeltje met ladingpolariteit(+) als uitwendig deel.

o    

o   23.6a   Voor positron geldt: vereist Natuurdeeltje met ladingpolariteit(+) als uitwendig deel.

o   23.5a   Voor elektron geldt: vereist Natuurdeeltje met ladingpolariteit(-) als uitwendig deel.

o   23.7i    Voor niét neutraal …tron geldt: vereist één Natuurdeeltje als uitwendig deel.

o    

o   23.7a   Voor niét neutraal …tron geldt: vereist één Natuurdeeltje als uitwendig deel.

o   23.8i    Voor wél neutraal …tron (elektron- neutrino) geldt: vereist meerdere (twee) Natuurdeeltjes als uitwendig deel.

 

5  Bijlagen.

 

o    Geen.